Wikken en wegen: deskundigen en bewijslastverdeling bij aansprakelijkheid voor beroepsziekten

Hoge Raad 8 juli 2011, LJN BQ3519, LJN BQ3517, LJN BQ3514

Essentie

In een drietal arresten bepaalt de Hoge Raad dat een werkgever geen belang meer heeft bij een oordeel over de vraag of het hof het bewijs van causaal verband ten onrechte heeft aangenomen op grond van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel uit de arresten Unilever/Dikmans en Havermans/Luycks. Op grond van het deskundigenbericht is het causaal verband in deze zaken al voldoende aannemelijk. Verder zet de Hoge Raad op een rij hoe een rechter dient te beoordelen of hij een deskundige wel of niet volgt en hoe hij dit oordeel vervolgens dient te motiveren.

Samenvatting

Werknemers van een bedrijf dat in laboratoria zaaizaad analyseert stellen hun werkgever aansprakelijk omdat zij klachten zouden hebben opgelopen door blootstelling aan te hoge concentraties organisch stof. Het hof heeft in tussenarresten geoordeeld dat de werknemers voldoende aannemelijk hebben gemaakt dat hun klachten door de blootstelling kunnen zijn veroorzaakt. Vervolgens heeft het hof onafhankelijke deskundigen benoemd om te kunnen beoordelen in hoeverre de klachten van de werknemers aan de blootstelling zijn toe te rekenen. Op grond van de rapporten van deze deskundigen komt het hof tot het oordeel dat causaal verband bestaat tussen de chronische klachten van de werknemers en de blootstelling. In cassatie stelt de werkgever aan de orde of het hof in het tussenarrest de zogenaamde zogeheten arbeidsrechtelijke omkeringsregel juist heeft toegepast en of het zijn beslissing om het oordeel van de benoemde onafhankelijke deskundigen te volgen voldoende heeft gemotiveerd.

De Hoge Raad oordeelt dat de werkgever geen belang heeft bij zijn klachten over de manier waarop het hof de omkeringsregel uit de arresten Unilever/Dikmans en Havermans/Luycks heeft toegepast. Het hof heeft bij eindarrest immers op basis van een deskundigenbericht aangenomen dat de klachten van de werknemers zijn veroorzaakt doordat zij zijn blootgesteld aan stof. Ook de klachten van de werkgever over de manier waarop het hof met het deskundigenbericht en de kritiek daarop is omgegaan leiden niet tot cassatie. Bij het beantwoorden van de vraag of een rechter de conclusies van een deskundige die hij heeft benoemd moet volgen, zal een rechter rekening moeten houden met alles wat partijen daarover aanvoeren. De rechter moet in volle omvang toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. Als de rechter ervoor kiest om de zienswijze van de door hem benoemde deskundige te volgen, hoeft hij als motivering in het algemeen alleen aan te geven dat hij de motivering die de deskundige gebruikt overtuigend vindt. Dit geldt zeker als het oordeel van de deskundige vooral is gebaseerd op bijzondere kennis, ervaring en/of intuïtie. Het hof heeft dit in de onderhavige zaken goed gedaan.

In perspectief

  • Hoge Raad 17 november 2000 (LJN AA8369, Unilever/Dikmans)
  • Hoge Raad 23 juni 2006 (LJN AW6166, Havermans/Luycks)
  • Hoge Raad 9 januari 2009 (LJN BF8875, Landskroon/BAM)

In dit arrest komt de verhouding aan de orde tussen de zogeheten arbeidsrechtelijke omkeringsregel en deskundigenbewijs. Daarnaast zet de Hoge Raad uiteen hoe de rechter met verkregen deskundigenbewijs moet omgaan.

De arbeidsrechtelijke omkeringsregel wordt toegepast bij onzeker causaal verband tussen het werk en de ziekte of de gezondheidsklachten van de werknemer die zijn werkgever aanspreekt op grond van artikel 7:658 BW. De regel houdt in dat causaal verband tussen de klachten van de werknemer en de werkzaamheden wordt aangenomen indien de werknemer aannemelijk maakt dat hij (1) werkzaamheden heeft verricht onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor de gezondheid en dat hij (2) lijdt aan een ziekte of aan gezondheidsklachten die door die schadelijke omstandigheden kunnen zijn veroorzaakt. Als de werkgever vervolgens niet kan aantonen dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan dan bestaat in beginsel aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW.

Als aansprakelijkheid met behulp van deze regel voor bewijslastverdeling is aangenomen, moet de rechter nog beoordelen welke ziekte of gezondheidsklachten precies het gevolg zijn van de blootstelling en welke schade de werknemer daardoor lijdt. Klachten kunnen immers ook mede het gevolg zijn van andere omstandigheden dan de blootstelling op het werk. Een werkgever zal doorgaans aanvoeren niet schadeplichtig te zijn voor die klachten die uit andere omstandigheden dan het werk voortkomen. Om hier duidelijkheid over te krijgen is een medische expertise meestal aangewezen, zo ook in de onderhavige zaken. Door deze medische expertise zal echter vaak zoveel duidelijkheid ontstaan over het verband tussen de blootstelling aan gevaarlijke omstandigheden en klachten en afwijkingen, dat het toepassen van de omkeringsregel achteraf bezien niet nodig was (of dat tegenbewijs tegen het op basis van de omkeringsregel aangenomen causaal verband is geleverd). Deze regel is immers alleen bedoeld voor zaken waarin onvoldoende duidelijkheid bestaat over het causaal verband in het specifieke geval. Als door het deskundigenbericht uiteindelijk voldoende duidelijk is of het causaal verband bestaat of niet, wordt de regel overbodig. In de onderhavige zaken pakt dit uit in het voordeel van de werknemers. In de zaak die leidde tot het arrest van 9 januari 2009 konden deskundigen echter juist geen verband tussen de rugklachten en de werkzaamheden vaststellen, omdat zij geen aantoonbare oorzaak voor de rugklachten vonden. Een beroep op de arbeidsrechtelijke omkeringsregel kon de werknemer – die stelde dat de rugklachten wel door het werk konden zijn veroorzaakt – vervolgens niet baten.

De besproken arresten zijn verder interessant voor degene die een overzicht zoekt van de rechtspraak van de Hoge Raad over het afwijken of volgen van een deskundigenbericht, het meewegen van het commentaar van partijen bij die beslissing en het motiveren daarvan.

Auteur(s)

  • Alice KrispijnAlice Krispijn