Werk aan de winkel voor Overheidswerkgevers!

Overheidswerkgevers zullen kritisch moeten kijken naar hun rechtspositieregelingen waar het gaat om de opbouw van vakantie van zieke ambtenaren. Een groot aantal rechtspositieregelingen bepaalt momenteel dat volledig arbeidsongeschikte ambtenaren slechts in beperkte mate vakantiedagen opbouwen. De Centrale Raad van Beroep heeft nu echter geoordeeld dat die regeling in strijd is met Europese regelgeving (CRvB 18 juli 2011, LJN: BR0267). Dat heeft tot gevolg dat de betreffende ambtenaren tijdens hun ziekteperiode in ieder geval het minimum aantal vakantiedagen opbouwen. Veel bestaande rechtspositieregelingen kunnen daarmee niet langer gevolgd worden.

Recht op vakantie zieke ambtenaren

In de meeste rechtspositiereglementen staat dat de ambtenaar die wegens ziekte niet in staat is werkzaamheden te verrichten, in die ziekteperiode maximaal over zes maanden vakantie opbouwt. Het Hof van Justitie van de EU heeft uitgemaakt dat deze beperkte opbouw van vakantiedagen in strijd is met artikel 7 van de Europese Arbeidstijdenrichtlijn (Richtlijn 2003/88, hierna: de Richtlijn). Hieruit volgt namelijk dat alle werknemers (waaronder ook ambtenaren moeten worden verstaan) ongeacht hun gezondheidstoestand recht hebben op ten minste vier weken vakantie per jaar met behoud van salaris. Volgens de Richtlijn is afwijking van deze bepaling niet toegestaan. In vervolg op deze uitspraak van het Europese Hof heeft het Gerechtshof Amsterdam geoordeeld dat werknemers (in de civiele sector) geen (direct) beroep kunnen doen op de Richtlijn, maar afhankelijk zijn van de wijziging van de wet. Volgens de Centrale Raad van Beroep is dit voor ambtenaren echter anders.

De uitspraak

De betrokken ambtenaar werkte bij de gemeente Haarlem. In het toepasselijke Ambtenarenreglement Haarlem 1995 stond dat ambtenaren tijdens volledige arbeidsongeschiktheid slechts over de laatste zes maanden voorafgaand aan het herstel of ontslag vakantie opbouwden. De ambtenaar werd hierdoor getroffen en zij is tegen het desbetreffende besluit in bezwaar en beroep gegaan. Haar bezwaar werd ongegrond verklaard, maar in beroep werd zij in het gelijk gesteld. Vervolgens is de zaak voorgelegd aan de Centrale Raad van Beroep.

De Centrale Raad heeft de aangevallen uitspraak van de Rechtbank Haarlem bevestigd. Hij stelt daarbij voorop dat de in artikel 7 van de Richtlijn neergelegde regel onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is bepaald, zodat de ambtenaar hierop in beginsel een rechtstreeks beroep kan doen. De Centrale Raad stelt verder onder verwijzing naar de rechtspraak van het Europese Hof dat de Richtlijn beoogt de werknemer/ambtenaar in staat te stellen uit te rusten en over een periode van ontspanning en vrije tijd te beschikken. De regeling die is opgenomen in het toepasselijke rechtspositiereglement is hiermee in strijd, nu op grond hiervan de ambtenaar zijn minimumaanspraak op vier weken vakantie per jaar verliest. Een en ander betekent dat de ambtenaar in het gelijk wordt gesteld.

Conclusie & kort commentaar

Op grond van artikel 7 van de Richtlijn bouwen ambtenaren gedurende hun ziekteperiode aanspraak op vakantie op van ten minste vier maal de arbeidsduur per week. De Centrale Raad heeft nu uitgemaakt dat ambtenaren – anders dan werknemers – jegens hun overheidswerkgever direct een beroep kunnen doen op deze regel. Dit betekent dat zij voorbij kunnen gaan aan de (eventuele) beperking hiervan die is opgenomen in het toepasselijke rechtspositiereglement.

Overheidswerkgevers zullen hier vanaf nu rekening mee moeten houden bij de registratie van verlofuren van zieke ambtenaren.

Bovendien kunnen overheidswerkgevers geconfronteerd worden met flinke vakantieclaims van hun ambtenaren. Artikel 7 van de Richtlijn heeft namelijk terugwerkende kracht. Dat betekent dat ambtenaren die op dit moment langdurig ziek zijn (mogelijk onbewust) een omvangrijk reservoir aan vakantieaanspraken hebben opgebouwd.

Van belang is dat de mogelijke claims van ambtenaren niet onbegrensd zijn. Claims kunnen afstuiten wanneer niet tijdig is geklaagd over de vaststelling van vakantieaanspraken en die vaststelling daardoor formele rechtskracht heeft gekregen. Bovendien kunnen de aanspraken verjaard zijn. De Rechtbank Den Haag heeft in januari van dit jaar (Rb. Den Haag 19 januari 2011, LJN: BP1649) in aansluiting op het civiele recht overwogen dat aanspraken met betrekking tot vakantie na verloop van vijf jaren verjaren. Deze verjaringstermijn neemt volgens de Rechtbank een aanvang na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak op vakantie is ontstaan.