Vrijheid van meningsuiting in het arbeidsrecht

Palomo Sanchez and others/Spain

Tussen een Spaans bedrijf en vier van haar werknemers is geprocedeerd over de vraag of deze werknemers al dan niet in loondienst waren. In deze procedure hebben twee werknemers tegen deze vier werknemers getuigd. De werknemers hebben vervolgens een vakbond opgericht. Deze vakbond gaf maandelijks een nieuwsbrief uit. Op de omslag van een van deze nieuwsbrieven hebben zij een spotprent gezet en in de nieuwsbrief stonden artikelen waarin stevige kritiek werd geuit op deze twee getuigen. Naar aanleiding van deze nieuwsbrief zijn de vier werknemers ontslagen. In Spanje is door rechters in verschillende instanties het ontslag gerechtvaardigd geacht. Over de vrijheid van meningsuiting van vakbondsleden is geoordeeld dat deze niet onbegrensd is.

De werknemers hebben zich tot het EHRM gewend en zich op het standpunt gesteld dat de Spaanse staat in strijd heeft gehandeld met artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting) en artikel 11 EVRM (vakbondsvrijheid). Het EHRM heeft geoordeeld dat in de eerdere procedures niet is komen vast te staan dat de werknemers in kwestie wegens hun vakbondslidmaatschap zijn ontslagen. Anders gezegd, de vrijheid van vakvereniging is naar het oordeel van het EHRM niet in het geding. Vervolgens geeft het EHRM een opsomming van de uitgangspunten bij de toepassing van vrijheid van meningsuiting. Het EHRM neemt daarbij als uitgangspunt dat het een belangenafweging betreft. In het onderhavige geval een afweging van de belangen van de werknemers van vrijheid van meningsuiting tegenover de belangen van eer en goede naam van de ‘aangevallen’ werknemers. Dit alles in de context van een arbeidsverhouding. Het EHRM stelt zich daarbij op het standpunt dat zij dient te oordelen over (i) de vraag of de uitlatingen van de werknemers als schadelijk voor de reputatie van anderen moet worden gezien en (ii) of de sanctie proportioneel is in het licht van de gedane uitlatingen. Bij de beantwoording van de eerste vraag merkt het Hof op dat een duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen kritiek en belediging. In dat laatste geval zijn sancties toegestaan. Het EHRM merkt verder op dat vakbonden geen beledigende uitlatingen moeten doen. In dit licht is het oordeel van de Spaanse rechter dat de grenzen van toelaatbare kritiek zijn overschreden niet onjuist. De tweede vraag wordt ook bevestigend beantwoord. Hierbij wijst het Hof erop dat de arbeidsverhouding gebaseerd moet zijn op wederzijds vertrouwen, hetgeen gelezen zou kunnen worden als een verwijzing naar het goed werkgever en goed werknemerschap. Daarbij wordt geoordeeld dat – vanwege de discretie die van werknemers verwacht mag worden – sommige uitlatingen die in andere context gelegitimeerd zouden zijn, dit in de arbeidsverhouding niet zijn.

Uit voornoemde uitspraak kan worden afgeleid dat – werknemers en in meerdere mate ook vakbondsleden – kritiek op hun werkgever mogen hebben. De grens lijkt te liggen bij smadelijke of leugenachtige uitlatingen. Ook de vraag of de reputatie van andere personen wordt geschaad door de betreffende uitlatingen is bij de beoordeling van belang.

Auteur(s)

  • Inge de LaatInge de Laat