Voorwaardelijk ontbinden na ontslag op staande voet nog mogelijk?

In het pre-WWZ tijdperk werd een ontslag op staande voet vrijwel steeds gevolgd door een briefje van de (advocaat van de) werknemer waarin de nietigheid van het ontslag werd ingeroepen en vervolgens een voorwaardelijke ontbindingsprocedure door de werkgever – voor het geval het ontslag op staande voet in de toekomst toch onrechtmatig zou blijken. Het doel van de voorwaardelijke ontbinding was om snelle zekerheid te krijgen over het einde van de arbeidsovereenkomst en niet het risico te lopen op een grote salarisclaim als het ontslag op staande voet in de bodemprocedure (soms jaren later) toch onterecht bleek te zijn.

WWZ

Onder de WWZ wordt de oude praktijk van de voorwaardelijke ontbinding na een ontslag op staande voet veelal voortgezet. Maar is dat wel logisch? Vanwege de mogelijkheid van hoger beroep en cassatie, geeft een voorwaardelijke ontbinding bijvoorbeeld geen snelle zekerheid. En waar de werkgever vroeger alleen maar aannemelijk hoefde te maken dat ontbinding eigenlijk onvermijdelijk was gelet op de (inmiddels) verstoorde verhoudingen, dient hij thans, net als bij een normaal ontslag, een ‘voldragen ontslaggrond’ te hebben. Voorwaardelijke ontbinding past ook moeilijk in het systeem, zoals blijkt uit de volgende twee scenario’s.

1. Ontslag op staande voet terecht

Als de kantonrechter het ontslag op staande voet terecht vindt, bestaat er sinds het ontslag op staande voet geen arbeidsovereenkomst meer. Er valt daarom voor diezelfde kantonrechter in diezelfde procedure niets meer te ontbinden. Vóór 1 juli 2015 bestond dit probleem niet, omdat het ontslag door middel van het briefje van de (advocaat van de) werknemer buitengerechtelijk vernietigd was en er dus wel degelijk een arbeidsovereenkomst bestond tot het moment waarop de rechter oordeelde dat de buitengerechtelijke vernietiging ongegrond was. Onder de WWZ komt de arbeidsovereenkomst na een terecht bevonden ontslag op staande voet sowieso niet meer tot leven, ook niet na een voor de werknemer succesvol hoger beroep. Het hof kan immers alleen maar een billijke vergoeding opleggen of de werkgever tot herstel veroordelen. Bij herstel is technisch gezien sprake van een nieuwe arbeidsovereenkomst en die kan, zo lijkt mij, in eerste aanleg niet (bij voorbaat) ontbonden worden.

2. Ontslag op staande voet onterecht

De vraag is of de kantonrechter die het ontslag op staande voet ontoelaatbaar acht, wel zal ontbinden bij hetzelfde feitencomplex. Immers, de werkgever zal zich vermoedelijk beroepen op de e-grond (verwijtbaar handelen) en/of de g-grond (verstoorde arbeidsverhouding). Als de dringende reden niet is komen vast te staan voor het ontslag op staande voet, zal dat veelal ook gelden voor het verwijtbaar handelen. Volgens de parlementaire geschiedenis liggen die twee begrippenparen immers dicht bij elkaar. Ik vraag mij ook af of een rechter zal ontbinden op basis van een verstoorde verhouding als die verstoorde verhouding zijn oorsprong vindt in het door de werkgever ten onrechte nagestreefde ontslag op staande voet. In de jurisprudentie wordt een ontbindingsverzoek soms afgewezen als de verstoorde verhouding aan de werkgever te wijten is of er wordt een billijke vergoeding aan de werknemer toegekend. Een en ander ligt overigens genuanceerder indien het ontslag op staande voet ‘nat gaat’ vanwege bijvoorbeeld problemen met de onverwijldheidseis.

Prejudiciële vragen

De Kantonrechter Enschede worstelde ook met een verzoek om voorwaardelijke ontbinding en besloot het voornemen te uiten de Hoge Raad in te schakelen middels het stellen van prejudiciële vragen. Die vragen zien onder meer op de mogelijkheden van voorwaardelijke ontbinding bij verschillende scenario’s:

  • De voorwaardelijke ontbindingsprocedure wordt al in gang gezet voordat de werknemer een verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet heeft ingediend;
  • Over het ontslag op staande voet wordt nog niet direct beslist, bijvoorbeeld vanwege een bewijsopdracht;
  • Het ontslag op staande voet wordt terecht geacht;
  • Het ontslag op staande voet wordt onterecht geacht.

Hopelijk zal de Hoge Raad op korte termijn antwoorden kunnen geven. Tot die tijd is het advies vooral bij iedere kwestie goed na te denken over nut en noodzaak van een voorwaardelijke ontbinding en over de formulering van de voorwaarde.

Auteur(s)

  • Itse GerritsItse Gerrits