Voorgestelde wetswijziging vakantiewetgeving

De opbouw van vakantiedagen door langdurig zieken

Op grond van artikel 7:635 lid 4 BW bouwt een werknemer die door ziekte geen arbeid kan verrichten, alleen vakantiedagen op in de laatste zes maanden waarin hij ziek thuis zat. Hoewel de wet regelt dat werknemers ten minste 20 vakantiedagen per jaar toekomt (op fulltime basis, voor parttimers wordt dit minimum aantal pro rata naar beneden bijgesteld), kunnen langdurig zieken volgens de huidige wettelijke regeling dus niet onverkort aanspraak maken op dat minimum. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen, komt hieraan een einde. Langdurig zieke werknemers krijgen dan recht op hetzelfde aantal vakantiedagen als niet-zieke werknemers. Daarnaast voorziet het voorstel in een verduidelijking van de wet, zodat duidelijk wordt dat ook tijdens ziekte vakantie kan worden opgenomen.

De voorgestelde wijziging is een reactie op een aantal uitspraken in prejudiciële zaken van januari 2009, waarin het Europese Hof werd verzocht om artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG uit te leggen. Het betreft de gevoegde zaken Schultz-Hoff (C- 350/06 en JAR 2009/58) en Stinger (C-520/06) en de zaak Pereda (C-277/08). Het Hof oordeelde – kort gezegd – dat de richtlijn zo moet worden geïnterpreteerd, dat ook langdurig zieken recht hebben op het wettelijk vastgestelde minimum aantal vakantiedagen. De achterliggende gedachte is dat de langdurig zieke werknemer geen gelegenheid heeft gehad om gebruik te maken van het recht op vakantie.

Uit de uitspraken van het Hof blijkt dat artikel 7:635 lid 4 BW in strijd is met het Europese recht. De uitspraken brachten de nodige verwarring teweeg met betrekking tot de toepassing van artikel 7:635 lid 4 BW. Het Hof Amsterdam gaf op 10 november 2009 wel enige verduidelijking over hoe om te gaan met de tegenstrijdigheid tussen wet en Europese richtlijn (JAR 2010/13). Het Hof Amsterdam overwoog dat het niet is gehouden tot een richtlijnconforme uitleg contra legem. Met andere woorden, de Nederlandse wet dient weliswaar richtlijnconform geïnterpreteerd te worden, maar een dergelijke interpretatie is niet mogelijk indien beide tegenstrijdig zijn aan elkaar. Volgens het Amsterdamse Hof dient de Nederlandse wet dus gevolgd te worden. Voor een bespreking van dit arrest verwijs ik naar de bijdrage van Thijs Ridder in onze nieuwsbrief van januari 2010. Het is vervolgens aan de wetgever om de Nederlandse regelgeving alsnog aan te passen aan de Richtlijn. Dat laatste lijkt dus binnenkort te gaan gebeuren.

Verkorte vervaltermijn van vakantiedagen

In artikel 7:642 BW is bepaald dat een rechtsvordering tot toekenning van vakantie verjaart door verloop van vijf jaar na de laatste dag van het kalenderjaar waarin de aanspraak op vakantiedagen is ontstaan. Opgebouwde, maar niet genoten vakantiedagen komen volgens de huidige wettelijke regeling dus na vijf jaar te vervallen. Van de vijf jaarstermijn mag alleen worden afgeweken in het voordeel van de werknemer (de termijn mag dus worden verlengd, maar niet verkort).

Het wetsvoorstel beoogt deze termijn te verkorten tot anderhalf jaar. De achterliggende gedachte is enerzijds dat het te lang uitstellen van vakantie de veiligheid en gezondheid van de werknemer in gevaar kan brengen, en anderzijds dat de voor werkgevers vaak hinderlijke vakantiestuwmeren langzaam zullen worden drooggelegd door verkorting van de vervaltermijn. Evenals in de huidige situatie, kunnen werkgevers en werknemers ook na invoering van de nieuwe wet in onderling overleg besluiten de vervaltermijn te verlengen. De verkorte vervaltermijn zal – indien het wetsvoorstel wordt aangenomen – overigens alleen gelden voor vakantiedagen die na invoering van de wet worden opgebouwd.

Hoewel het in de lijn der verwachting ligt dat het wetsvoorstel ook daadwerkelijk zal worden aangenomen, is dat nog even afwachten. Op dit moment is nog niet bekend wanneer het voorstel in de Tweede Kamer zal worden behandeld.