Verzoek vervangende toestemming na weigering OR om in te stemmen met nieuw rooster

Kantonrechter Maastricht, 24 november 2010, JAR 2011/33

Feiten

Onder invloed van Europese regels en jurisprudentie (Jaeger arrest, HvJ EG Luxemburg, 9 september 2003) en een daaruit voorvloeiende wijziging van het Arbeidstijdenbesluit in 2007 is de maximale wekelijkse arbeidsduur voor brandweerpersoneel veranderd: het maximum werd 48 uur in plaats van 54 uur. De gevolgen van de wijziging van de arbeidsduur voor het dienstrooster en de beloning van het brandweerpersoneel zijn sindsdien onderwerp van gesprek geweest tussen werkgevers en vakorganisaties, zowel op centraal als op decentraal niveau.

Nadat het centrale en decentrale overleg met de vakorganisaties is vastgelopen, stelt de Brandweer Zuid-Limburg (hierna; de Ondernemer) zich op het standpunt dat hij tot het inzicht is gekomen dat het eigenlijk de Ondernemingsraad van de Brandweer Zuid Limburg (hierna; OR BZL) is die over de roosterwijziging gaat en niet de vakorganisaties. De Ondernemer heeft daarom de OR BZL gevraagd in te stemmen met het voorgenomen besluit tot wijziging van het dienstrooster. De OR BZL heeft zich op het standpunt gesteld dat de beloning niet los te zien was van de daadwerkelijke invulling van het rooster en dat over die beloning nog overeenstemming met de vakorganisaties bereikt moest worden. Bovendien heeft de OR BZL zich op het standpunt gesteld dat artikel 27 lid 3 van de WOR het overleg met de vakorganisaties voorrang geeft. De OR BZL onthoudt zich van het geven van instemming.

De Ondernemer heeft vervolgens de kwestie ter bemiddeling voorgelegd aan de Bedrijfscommissie voor de Overheid (verder ook: BC). De BC adviseerde de OR BZL om een inhoudelijke beslissing op het verzoek om instemming te nemen. De OR BZL heeft geen uitvoering aan dit advies gegeven, zich op het standpunt stellend dat er (nog steeds) geen aanleiding toe bestond. Een hernieuwd verzoek van de Ondernemer met een identiek roostervoorstel heeft ertoe geleid dat de OR BZL opnieuw en op vergelijkbare gronden zijn instemming aan het voorstel onthield. De Ondernemer wendt zich tot de kantonrechter met het verzoek om vervangende toestemming. In deze procedure voegen zich twee vakbonden als belanghebbenden.

Oordeel kantonrechter

De kantonrechter oordeelt dat de vakorganisaties hun belang bij deze procedure voldoende hebben geadstrueerd zodat zij in volle omvang als belanghebbenden in de zin van art. 282 Rv ontvankelijk zijn. De scheiding tussen OR en vakorganisatie leidt er volgens de kantonrechter toe dat de vakorganisaties bijna als vanzelf belang hebben bij een uitkomst van een procedure waarvan de inzet is om langs de weg van een instemmingsverzoek het vrije onderhandelingsrecht van vakorganisaties te frustreren. De kantonrechter is van oordeel dat niet valt te ontkennen dat het in deze zaak om meer gaat dan het louter vaststellen van een dienstrooster. Omdat verschillende loonwaarden aan de uren in het dienstrooster worden toegekend, wordt volgens de kantonrechter geraakt aan elementaire primaire arbeidsvoorwaarden. Het landelijke arbeidsvoorwaardenoverleg over de arbeids- en rusttijden van de brandweer heeft het onderwerp nog niet uitputtend geregeld. Desondanks is volgens de kantonrechter sprake van een onderwerp dat “inhoudelijk geregeld” is in de zin van art. 27 lid 3 WOR. Zolang het lokale georganiseerde overleg met de vakbonden nog geen besluit heeft opgeleverd, kan en kon de OR zichzelf op goede gronden een overlegrol ontzeggen. De kantonrechter onthoudt dan ook de vervangende toestemming aan de Ondernemer.

Tips voor de praktijk

Deze uitspraak is om drie redenen interessant voor de praktijk, te weten;

De rolverdeling tussen de OR en de vakbond
Artikel 27 lid 3 WOR bepaalt dat geen instemming is vereist voor zover de betrokken aangelegenheid voor de onderneming reeds inhoudelijk is geregeld in een cao of een regeling van arbeidsvoorwaarden vastgesteld door een publiekrechtelijk orgaan. In deze zaak was duidelijk dat de aanpassing van de maximale arbeidsduur al jaren gespreksonderwerp tussen vakorganisaties en werkgever was. Ook was duidelijk dat de Ondernemer alleen instemming van de OR verzocht omdat een impasse in het overleg met de bonden was gerezen. Gegeven deze omstandigheden is het duidelijk dat de OR geen instemmingsrecht heeft.

De rol van de OR bij primaire arbeidsvoorwaarden
De kantonrechter oordeelt dat het wijzigen van een dienstrooster in dit geval behoort tot de primaire arbeidsvoorwaarden en reeds om die grond aan het instemmingsrecht van de OR is onttrokken. Maar wanneer is sprake van een primaire arbeidsvoorwaarde? Van elk besluit kan worden beredeneerd dat er elementen van primaire arbeidsvoorwaarden inzitten. Volgens de Hoge Raad dient naar het doel van de regeling te worden gekeken (HR 20 december 2002, «JAR» 2003/18). Daarnaast spelen de omstandigheden van het geval een belangrijke rol bij het bepalen of instemmingsrecht geldt.

De vakorganisaties als belanghebbenden
Op grond van art. 282 Rv kan elke belanghebbende een verweerschrift indienen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat bij beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, een rol zal spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen (HR 6 juni 2003, NJ 2003, 486). De Kantonrecher oordeelde dat vakorganisaties zich in deze procedure als belanghebbenden in de procedure tussen de OR en de Ondernemer konden voegen.

Auteur(s)

  • Diane DonathDiane Donath