Verbod op het dragen van een ketting met kruis: verboden onderscheid naar godsdienst?

Gerechtshof Amsterdam, 15 juni 2010, JAR 2010/179

Een tramconducteur in dienst van GVB droeg in verband met zijn christelijke geloof een goudkleurige halsketting met daaraan een groot kruis. Bij GVB wordt bedrijfskleding gedragen en gelden kledingvoorschriften waaruit onder meer blijkt dat sieraden niet zichtbaar over de bedrijfskleding gedragen mogen worden. Ondanks het verzoek van GVB aan de tramconducteur om zich aan deze richtlijnen te houden, weigerde hij dat. De tramconducteur stelde zich op het standpunt dat hij in de gelegenheid moet worden gesteld om de ketting met het kruis over zijn kleding te dragen in verband met zijn geloof.

Omdat zij onderling niet tot een oplossing konden komen, heeft de werknemer zich tot de kantonrechter gewend en gesteld dat GVB een ongerechtvaardigd onderscheid naar godsdienst maakt. De kantonrechter heeft de vordering van de werknemer afgewezen, waarbij de kantonrechter heeft opgemerkt dat de vrijheid van geloofsovertuiging niet aan de orde is nu GVB het dragen van de ketting met kruis niet verbiedt, maar enkel het zichtbaar dragen daarvan. Het verbod om de ketting met kruis boven de kleding te dragen leverde naar oordeel van de kantonrechter geen direct of indirect onderscheid naar geloof op, zeker nu het gaat om een algemeen verbod om kettingen boven de kleding te dragen en het verbod ook niet in de weg staat aan andere vormen van geloofsuiting.

Hoger beroep

De werknemer kon zich niet in het oordeel van de kantonrechter vinden en is in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam. In haar arrest heeft het hof overwogen dat de instructie van GVB om het ketting met kruis niet langer zichtbaar te dragen, personen van de christelijke geloofsgemeenschap in vergelijking met anderen bijzonder treft. GVB maakt met de instructie dan ook indirect onderscheid. Indirect onderscheid is onderscheid op grond van andere gronden dan direct discriminerende gronden, dat indirect wel tot gevolg heeft dat er onderscheid wordt gemaakt. Indirect onderscheid is in beginsel verboden, tenzij het objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn.

Het hof heeft geoordeeld dat in het onderhavige geval aan deze vereisten wordt voldaan. Volgens het hof is het bereiken van de door GVB gewenste professionele uitstraling een legitiem doel. Voldoende aannemelijk is dat het doel voorziet in een werkelijke behoefte van GVB en het hof acht het doel van GVB ook voldoende zwaarwegend. Naar oordeel van het hof is het middel ook geschikt om het beoogde doel te bereiken; de instructie om kettingen onder de bedrijfskleding te dragen bewerkstelligt dat het uniform vrij blijft van persoonlijke elementen van de drager. Ten slotte heeft het hof zich over de vraag gebogen of het middel ook noodzakelijk is. Het hof oordeelt dat over de bedrijfskleding gedragen kleding of sieraden afbreuk doen aan de zakelijke en uniforme uitstraling, waardoor het aan de orde zijnde doel niet met een ander middel kan worden bereikt. Naar oordeel van het hof is het middel evenmin disproportioneel. Kort en goed, heeft het hof geoordeeld dat de kledinginstructie bij GVB een legitiem doel dient en passend en noodzakelijk is, waardoor het verbod op het maken van indirect onderscheid in dit geval niet geldt.

Tot slot heeft de werknemer nog gesteld dat GVB in strijd heeft gehandeld met het ‘goed werkgeverschap’ door in zijn geval geen uitzondering op de instructie toe te staan. Samenvattend, heeft het hof in dit opzicht geoordeeld dat GVB zich voldoende heeft ingespannen om de gevolgen voor de werknemer zoveel mogelijk te verzachten, onder andere door het aandragen van alternatieven en het bieden van psychologische hulp. Het hof is dan ook van oordeel dat GVB zich jegens de werknemer niet onredelijk heeft opgesteld en zij de werknemer geen uitzonderingspositie hoeft toe te kennen.

Tips voor de praktijk:

  • Wees als werkgever bij het opstellen van kledinginstructies alert dat werknemers niet onnodig worden beperkt in de uiting van hun geloofsovertuiging. Uit deze uitspraak blijkt opnieuw dat instructies die indirect onderscheid tot gevolg hebben, alleen toegelaten zijn als hier een objectieve rechtvaardiging voor is en de middelen voor het bereiken van dit doel passend en noodzakelijk zijn.
  • Probeer als werkgever zoveel mogelijk met de werknemer mee te denken. Een algeheel verbod op het dragen van bepaalde kleding en/of sieraden voelt voor een werknemer vaak onrechtvaardig, maar misschien zijn er alternatieven mogelijk die voor beiden wel acceptabel zijn, bijvoorbeeld een hoofddoekje in de huisstijl van het bedrijf.

Auteur(s)

  • Ester DamenEster Damen