Vakbond en ondernemingsraad geen belanghebbenden in de zin van artikel 36 lid 2

Een bespreking van de uitspraak van de Voorzieningenrechter Eindhoven, Sector kanton, 21 december 2011, JAR 2011/46

Samenvatting van de uitspraak

Op 13 december 2009 heeft onderneming A de concessie gekregen voor het openbaar vervoer in de stadsregio Arnhem/Nijmegen. Onderneming B voert deze concessie in onderaanneming uit in het zuidelijk deel van die regio. De werknemers die voor 13 december 2009 in dienst van onderneming B waren en de toenmalige concessie reden, zijn per die datum in dienst getreden van onderneming A. Onderneming B heeft de medezeggenschap van die voormalige werknemers in stand gehouden met een beroep op art. 6 lid 4 WOR. De ondernemingsraad van onderneming A is van mening dat hij het enige rechtsgeldige medezeggenschapsorgaan is. De ondernemingsraad van onderneming A en de vakbond vorderen in kort geding dat onderneming B en haar ondernemingsraad verplicht worden het WOR-overleg te staken en de geplande verkiezingen te schorsen totdat in een bodemprocedure is beslist of de medezeggenschap bij onderneming B “bevorderlijk is voor een goede toepassing van de WOR”.

De kantonrechter oordeelt dat vakbond en ondernemingsraad kennelijk bedoelen vooruit te lopen op een bodemgeding op grond van artikel 6 lid 4 WOR. Een bodemprocedure kan volgens de kantonrechter worden gegrond op art. 36 lid 1 WOR. Artikel 36 lid 1 WOR bepaalt dat iedere belanghebbende de kantonrechter kan verzoeken dat de ondernemer of de ondernemingsraad gevolg dient te geven aan hetgeen bij of krachtens de WOR is bepaald omtrent 1) het instellen of in stand houden van een ondernemingsraad 2) het vaststellen van een voorlopig of een definitief reglement van de ondernemingsraad 3) de kandidaatstelling voor en de verkiezing van de leden van de ondernemingsraad en 4) het bekend maken van agenda’s en verslagen van vergaderingen, een en ander voor zover dit van de ondernemer of de ondernemingsraad afhangt. De vakbond kan als belanghebbende worden aangemerkt omdat zij leden heeft onder de werknemers van onderneming B. De ondernemingsraad van onderneming A is belanghebbende, veronderstelt de kantonrechter, omdat de werkzaamheden in kwestie het werk in het bedrijf waarin zij functioneert meer dan oppervlakkig raakt. Wat de vakbond en de ondernemingsraad van onderneming A vorderen hoort echter niet tot de onderwerpen die in artikel 36 lid 1 WOR staan. Zo bezien zijn de vakbond en de ondernemingsraad van onderneming A niet ontvankelijk in hun vordering. De kwestie waar het hier over gaat – of artikel 6 lid 4 WOR terecht is toegepast – valt onder artikel 36 lid 2 WOR, maar daar kunnen alleen de onderneming B en de ondernemingsraad van onderneming B een verzoek op baseren. Ook op grond van artikel 36 lid 2 WOR zijn de vakbond en de ondernemingsraad van onderneming A niet ontvankelijk in hun vordering. Het inroepen van een oordeel van de rechter buiten het kader van artikel 36 WOR is misschien nog wel mogelijk, maar dat zou dan met een dagvaarding moeten geschieden en de toepasselijke wettelijke regeling kent de ‘belanghebbende’ niet. Een vordering die bij dagvaarding moet worden ingesteld kan alleen door een rechtstreeks – dat wil zeggen door een door de wet aangewezen – gerechtigde aanhangig gemaakt worden. En daartoe hoort noch de vakbond als de ondernemingraad van onderneming A. De conclusie is dus, dat de vakbond en de ondernemingsraad van onderneming A in hun vordering niet-ontvankelijk verklaard moeten worden. Ten overvloede merkt de kantonrechter nog op dat de onderhavige vordering erop neer komt dat het onderneming B onmogelijk gemaakt wordt haar plannen aan de ondernemingsraad voor te leggen. De vraag is of dat de bedoeling is. Voorts overweegt de kantonrechter dat aan de stemmingen die onder de werknemers gehouden zijn over de toebedeling van de medezeggenschap geen wettelijke betekenis toekomt. De wettelijke medezeggenschap is niet onderworpen aan de vrije beschikking van betrokkenen.

Tips voor de praktijk

  • Deze uitspraak laat zien dat artikel 36 lid 1 WOR restrictief uitgelegd dient te worden. Een belanghebbende kan alleen ten aanzien van de onderwerpen geregeld in het voornoemde lid een verzoek tot naleving indienen bij de kantonrechter.
  • Een beroep op artikel 36 lid 2 WOR kan alleen worden gedaan door de ondernemer of de ondernemingsraad en dus niet door een belanghebbende.
  • Als belanghebbende is het nog denkbaar om buiten het kader van artikel 36 WOR een oordeel te vragen van de rechter. Dat zou dan middels een dagvaardingsprocedure dienen te geschieden. Daarbij is tevens van belang, afgezien van bijzondere wettelijke regelingen, dat in burgerlijke zaken de procesbevoegdheid in beginsel slechts toekomt aan natuurlijke personen en rechtspersonen.

Auteur(s)