Toestemming van kantonrechter bij onthouden van instemming door ondernemingsraad

Op basis van artikel 27 Wet op de ondernemingsraden (“WOR”) heeft de ondernemer instemming van de ondernemingsraad nodig alvorens hij een in dit artikel genoemd besluit wenst te nemen. Het betreft een limitatieve lijst van besluiten tot vaststelling, wijziging of intrekking van bepaalde regelingen op het terrein van het sociale beleid in de onderneming.

Indien de ondernemingsraad geen instemming heeft gegeven voor het voorgenomen besluit, biedt lid 4 van artikel 27 WOR de mogelijkheid om via de kantonrechter toestemming te krijgen om toch het besluit te kunnen nemen.

De kantonrechter geeft slechts toestemming indien het onthouden van instemming door de ondernemingsraad onredelijk is of indien sprake is van zwaarwegende bedrijfsorganisatorische, bedrijfseconomische of bedrijfssociale redenen.

De kantonrechter in Den Haag heeft onlangs over dit onderwerp een uitspraak gedaan.

De feiten

In 2006 was sprake van een besparing binnen het Ministerie van Veiligheid en Justitie, waarop werd besloten dat deze ten gunste kwam van de medewerkers in de vorm van, onder meer, stoelmassages. Het Ministerie wil nu de overeenkomst voor stoelmassage met Helder Werk B.V. beëindigen en heeft hiervoor instemming gevraagd aan de ondernemingsraad. De groepsondernemingsraad (GOR) van het Ministerie heeft zijn instemming voor dit voorgenomen besluit niet gegeven. Het Ministerie stapt vervolgens naar de kantonrechter.

Oordeel van de kantonrechter Den Haag

Partijen zijn het erover eens dat er een noodzaak tot bezuinigen is. De GOR stelt echter (i) dat het Ministerie in 2006 de toezegging heeft gedaan de massage te evalueren, voordat het Ministerie de overeenkomst zou beëindigen en (ii) dat onvoldoende vaststaat dat het afschaffen van stoelmassages werkelijk een kostenbesparing oplevert.

Nu de noodzaak tot bezuinigen bestaat, kan de GOR het Ministerie in redelijkheid niet houden aan de afspraak om een bepaald bedrag ten gunste van de medewerkers te besteden, aldus de kantonrechter. Ook het feit dat er geen ruimte is voor iets extra’s, doet de noodzaak tot evaluatie van de stoelmassage vervallen. Volgens de kantonrechter kan de GOR onder deze omstandigheden in redelijkheid ook niet van het Ministerie verlangen dat er onderzoek wordt gedaan naar het nut en effect van stoelmassages.

De GOR legt tevens als grondslag voor zijn weigering om instemming te geven dat “onvoldoende inzicht is gegeven in het geheel van taakstellingsmaatregelen en de strategische koers voor het geheel”. Volgens de kantonrechter heeft het Ministerie hierin voorzien, nu het de achtergrond en het te verwachten resultaat van de beoogde bezuinigingsmaatregelen, waaronder het afschaffen van stoelmassages, aan de GOR heeft bekendgemaakt.

De kantonrechter komt tot de conclusie dat de beslissing van de GOR om zijn instemming aan het voorgenomen besluit te onthouden onredelijk is en verleent aldus toestemming om de overeenkomst van de stoelmassages te beëindigen.

Opmerkingen

  • In geval de ondernemingsraad de ondernemer vraagt een instemmingsverzoek in een breder perspectief te plaatsen, zal een ondernemer hier niet zomaar aan voorbij moeten gaan.
  • Als de ondernemer geen instemming van de OR verkrijgt en toch het besluit neemt (zonder toestemming van de kantonrechter), loopt hij een risico. De ondernemingsraad kan de nietigheid van een dergelijk besluit inroepen, wat er toe kan leiden dat het besluit (in zijn geheel) moet worden teruggedraaid.

Rechtbank Den Haag, Sector Kanton, 28 oktober 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:17603

Auteur(s)

  • Antoine SchijfAntoine Schijf