Tellen jaren als uitzendkracht mee bij een reorganisatie?

Kantonrechter Wageningen, 08-09-2010, LJN BN8266, JAR 2010/264

Een werkgever in de zuivelindustrie wordt sinds 2008 geconfronteerd met een daling van de omzet. Door de ontwikkelingen in de markt is de werkgever genoodzaakt maatregelen te nemen. Zij besluit onder andere om bepaalde activiteiten te automatiseren. De automatisering van de activiteiten heeft gevolgen voor een deel van het personeel. Voor hen is geen werk meer en de werkgever dient haar personeelsbestand in te krimpen.

Voor een medewerker van het distributiecentrum betekent het voorgaande dat zijn functie komt te vervallen. De werknemer is het niet eens met de gang van zaken en voert een aantal verweren. Het belangrijkste verweer is dat bij de vaststelling van de anciënniteit, de dienstjaren, geen rekening is gehouden met de tijd dat hij, aaneensluitend, op uitzendbasis voor de werkgever respectievelijk diens rechtsvoorgangers heeft gewerkt.

De werkgever stelt dat zij bij het bepalen van de anciënniteit een objectieve maatstaf heeft gehanteerd, waarbij ze ervoor heeft gekozen om de tijd die werknemers als uitzendkracht hebben gewerkt niet mee te tellen. De reden die de werkgever hiervoor geeft, is dat voor veel werknemers niet meer na te gaan is hoe lang de uitzendperiode was.

Het besluit van de werkgever om de tijd dat de werknemer als uitzendkracht voor werkgever respectievelijk diens rechtsvoorgangers heeft gewerkt niet mee te tellen als dienstjaren, getuigt naar het oordeel van de kantonrechter niet van goed werkgeverschap en is in strijd met de beleidsregels van het UWV. De kantonrechter kent in deze zaak reflexwerking toe aan deze beleidsregels. Dat wil zeggen dat niet alleen in een procedure bij het UWV, maar ook in een procedure bij de kantonrechter een beroep kan worden gedaan op de beleidsregels. De kantonrechter doelt met name op het UWV-beleid bij opvolgend werkgeverschap, dat ook geldt in geval een werknemer na het eindigen van een uitzend- en/of detacheringsperiode bij de inlener een arbeidsovereenkomst sluit met de inlener voor het verrichten van dezelfde werkzaamheden.

In het onderhavige geval heeft de werknemer voldoende aangetoond dat hij in eerste instantie als uitzendkracht bij werkgever (en zijn rechtsvoorgangers) is gaan werken en dat hij aaneensluitend tot de datum van de formele indiensttreding heeft gewerkt. Daarnaast is niet gesteld of gebleken dat afspraken zijn gemaakt over het al dan niet mee tellen van de jaren die gewerkt zijn als uitzendkracht. Omdat ook niet aannemelijk is geworden dat de werknemer in de loop der jaren andere werkzaamheden is gaan verrichten, wordt er vanuit gegaan dat sprake is van opvolgend werkgeverschap. Het is daardoor onvoldoende aannemelijk dat de werknemer voor ontslag in aanmerking dient te komen en de kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek dan ook af.

Conclusie

De jaren die een werknemer aaneensluitend bij een werkgever werkt als uitzendkracht tot aan zijn formele indiensttreding, dienen in beginsel te worden meegeteld bij het berekenen van de anciënniteit. Dit kan anders zijn wanneer de werkzaamheden na de uitzendperiode zijn gewijzigd of wanneer er, bijvoorbeeld in het kader van een Sociaal plan, andere afspraken zijn gemaakt.

Deze uitspraak bevestigt de lijn in de jurisprudentie. Nieuw is de verwijzing naar de beleidsregels en de reflexwerking die wordt toegekend. Of dit in alle gevallen wordt toegestaan is de vraag, maar het is aan te raden aan te sluiten bij de beleidsregels.

Uit de uitspraak volgt ook het belang van het goed op orde hebben van het personeelsdossier. Met name ook wanneer sprake is van opvolgend werkgeverschap. Duidelijkheid over (arbeids)overeenkomsten tussen de werknemer en de werkgever en haar rechtsvoorgangers helpt misrekeningen bij het toepassen van het afspiegelingsbeginsel voorkomen.