Staat aansprakelijk voor misgelopen vakantiedagen

Kantonrechter ’s-Gravenhage 6 februari 2012, LJN: BV7318, BV7201, BV 7212

Achtergrond

In het Schultz-Hoff arrest van 20 januari 2009 heeft het Europese Hof van Justitie bepaald dat uit de Europese Arbeidstijdenrichtlijn (hierna: ‘de richtlijn’) volgt dat aan alle werknemers jaarlijks een vakantie met behoud van loon wordt toegekend van tenminste vier weken, ongeacht hun gezondheidstoestand. Op grond van het toenmalige art. 7:635 lid 4 BW bouwde een zieke werknemer slechts vakantiedagen op gedurende de laatste zes maanden van zijn of haar arbeidsongeschiktheid. De Nederlandse wetgeving bleek dus in strijd met de richtlijn. Als gevolg hiervan is de Nederlandse wet per 1 januari 2012 aangepast. Vanaf dat moment bouwen zieke werknemers gedurende de gehele periode van arbeidsongeschiktheid vakantiedagen op.

Voor veel zieke werknemers kwam deze wetswijziging te laat. Zij waren al vóór 1 januari 2012 ziek en hebben hierdoor minder vakantiedagen opgebouwd dan waarop zij recht hebben op grond van de richtlijn. Het aanspreken van de werkgever is in beginsel geen mogelijkheid voor deze werknemers. Deze heeft immers tot 1 januari 2012 geheel in overeenstemming met de dan geldende wetgeving gehandeld. Daarnaast zou een richtlijnconforme interpretatie van de wet leiden tot een uitleg die contra legem zou zijn, oftewel in strijd met de Nederlandse wet.

Procedure

Deze situatie deed zich voor bij de drie zaken waarover de kantonrechter te Den Haag zich diende te buigen. In de onderhavige zaken hadden alle drie de werknemers te weinig vakantiedagen uitbetaald gekregen bij het einde van hun dienstverband. Op grond van art. 7:635 lid 4 BW hadden zij immers slechts vakantiedagen opgebouwd gedurende de laatste zes maanden van hun arbeidsongeschiktheid. De werknemers besloten daarop de Staat aansprakelijk te stellen voor de schade die zij hierdoor hebben geleden.

De kantonrechter overweegt allereerst dat de strijdigheid tussen art. 7:635 lid 4 BW en de richtlijn voortvloeit uit een onjuiste uitleg van de richtlijn. Dit brengt mee dat de Staat aansprakelijk kan worden gesteld indien de Staat daarbij de grenzen van zijn discretionaire bevoegdheid kennelijk en ernstig heeft miskend. Vervolgens rijst de vraag of de Staat de richtlijn op deze manier heeft kunnen uitleggen. De kantonrechter stelt zich op het standpunt dat reeds uit het Bectu-arrest van het Europese Hof van Justitie uit 2001 is gebleken dat een beperkte opbouw van vakantiedagen tijdens ziekte in strijd is met de richtlijn. De Staat kon vanaf dat arrest in redelijkheid niet langer vasthouden aan art. 7:635 lid 4 BW. Dat de Staat dit artikel niet heeft aangepast, is dan ook onrechtmatig jegens de betrokken werknemers. Ten aanzien van het causaal verband overweegt de kantonrechter dat indien de richtlijn binnen een redelijke termijn na het verschijnen van het Bectu-arrest alsnog was geïmplementeerd, de werknemers aanspraak zouden hebben gehad op een vergoeding van de vakantiedagen over de gehele periode van arbeidsongeschiktheid.

Op grond van het voorgaande worden de vorderingen van de werknemers toegewezen. De Staat zal hen de misgelopen vakantiedagen alsnog moeten vergoeden. Minister Kamp van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft overigens aangekondigd in hoger beroep te gaan tegen de uitspraken. Hoe dit in de toekomst zal uitpakken is dus nog even afwachten.

Conclusie

  • De Staat wordt zwaar gestraft door de kantonrechter voor de onjuiste interpretatie van de richtlijn. Deze uitspraak biedt werknemers die vóór 1 januari 2012 langer dan zes maanden ziek zijn geweest en als gevolg hiervan minder vakantiedagen hebben opgebouwd de mogelijkheid om de Staat aan te spreken voor schadevergoeding.
  • Het recht op schadevergoeding verjaart op grond van art. 3:310 lid 1 BW vijf jaar nadat de werknemer bekend is geworden met de schade en met de daarvoor aansprakelijke persoon. Werknemers die in de afgelopen vijf jaar ziek zijn geweest en als gevolg hiervan minder vakantiedagen hebben opgebouwd kunnen dus naar het oordeel van de kantonrechter te Den Haag de Staat aansprakelijk stellen.

Auteur(s)

  • Laurie DuijvisLaurie Duijvis