Schending informatieverplichting aan werknemers bij overgang van onderneming

Gerechtshof Leeuwarden 26 april 2011, LJN: BQ4843

Informatievoorziening aan werknemers bij overgang van onderneming

Op grond van de Europese richtlijn overgang van ondernemingen (de Richtlijn) hebben werknemers recht op informatie bij overgang van onderneming. Deze bepaling is in Nederland geïmplementeerd in artikel 7:665a BW. Daarin is bepaald dat als in een onderneming geen ondernemingsraad of een personeelsvertegenwoordiging is ingesteld, de werkgever de eigen werknemers die betrokken zijn bij de overgang van onderneming tijdig in kennis stelt van het voorgenomen besluit tot overgang, de voorgenomen datum van de overgang, de reden van de overgang, de juridische, economische, en sociale gevolgen van de overgang voor werknemers en de ten aanzien van de werknemers overwogen maatregelen. De informatieverplichting uit artikel 7:665a BW rust op zowel de verkrijger als de vervreemder. Beide informeren hun eigen werknemers. Indien de vervreemder of de verkrijger zich niet houdt aan de informatieverplichting, is sprake van een onrechtmatige daad jegens de werknemers. Wordt de voorgeschreven informatie derhalve niet of niet tijdig verstrekt, dan is de werkgever schadeplichtig. In het Bos/Pax-arrest heeft de Hoge Raad in 2009 een oordeel geveld over de omvang van de informatieverplichting aan werknemers bij overgang van onderneming. Hij verwees de zaak vervolgens door naar het Gerechtshof Leeuwarden.

De feiten

De feiten van de zaak nog eens kort op een rij. De werknemer, de heer Bos, is in 1980 in dienst getreden van Douwe Egberts (DE) en werkte feitelijk op de logistieke afdeling van DE. Tussen DE en Pax is op 24 september 2003 een raamovereenkomst gesloten, inhoudende dat DE al haar logistieke werkzaamheden heeft uitbesteed aan Pax. De werknemers, waaronder de heer Bos, die deze werkzaamheden voor DE verrichtten, werden ondergebracht bij de dochteronderneming van DE, Detrex B.V. (Detrex). Daartoe werd de werknemers een nieuwe arbeidsovereenkomst aangeboden, met behoud van arbeidsvoorwaarden, die de werknemer heeft getekend. Op grond van een detacheringsovereenkomst tussen Detrex en Pax zijn de werknemers hun werkzaamheden blijven verrichten, ditmaal voor Pax. Enkele jaren later heeft Detrex het voorgenomen besluit kenbaar gemaakt om de werknemers per 1 januari 2006 te ontslaan. Zij konden per deze datum, tegen andere arbeidsvoorwaarden, in dienst treden bij Pax. De werknemer heeft zich op het standpunt gesteld dat hij al in 2003, maar uiterlijk per 1 januari 2006, van rechtswege in dienst is getreden van Pax.

Hoge Raad

De Hoge Raad oordeelde in 2009 dat uit de enkele omstandigheid dat de werknemer in 2003 uitdrukkelijk akkoord was gegaan met indiensttreding bij Detrex niet mag worden geconcludeerd dat de werknemer niet van rechtswege in dienst is getreden bij Pax op grond van artikel 7:663 BW. Mede gelet op de eisen van goed werkgeverschap lag het in de gegeven omstandigheden op de weg van DE haar werknemers volledige voorlichting te geven over de te maken keuzes en hun rechtspositie. Met die informatie had gewaarborgd kunnen worden dat de werknemers, die werden geconfronteerd met de overgang van onderneming, hun eventuele beslissing om afstand te doen van de bescherming van artikel 7:663 BW volledig geïnformeerd hadden kunnen nemen. Dit geldt ook voor de akkoordverklaring om in dienst te treden bij Detrex. Uit deze akkoordverklaring had moeten blijken dat de werknemer een keuze had: (1) in dienst blijven bij DE, waarna hij na de overgang van onderneming van rechtswege bij Pax in dienst zou treden of (2) in dienst treden bij Detrex, uit vrije wil de arbeidsovereenkomst met DE met ingang van de overgangsdatum verbreken en dus ondubbelzinnig afstand doen van de bescherming van artikel 7:663 BW. De Hoge Raad verwees de zaak vervolgens naar het Gerechtshof Leeuwarden, omdat alsnog onderzocht moest worden of hiervan sprake was.

Gerechtshof Leeuwarden

Het Hof oordeelt – na verwijzing – als volgt. Pax heeft geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de akkoordverklaring van de werknemer aan de voorwaarden van de Hoge Raad voldoet. Niet is gebleken dat aan de werknemer een keuze is voorgelegd en evenmin dat, indien hem die keuze wel zou zijn voorgelegd, hij er uit vrije wil voor zou hebben gekozen om de arbeidsovereenkomst met DE per de overgangsdatum te verbreken. De loonvordering van de werknemer wordt dan ook toegewezen.

Tips

  • Artikel 7:662 BW kent diverse vereisten waaraan voldaan moet zijn om te kunnen spreken van ‘overgang van onderneming’ in de zin van de wet.
  • Indien aan deze vereisten is voldaan, ontlenen werknemers aan de Richtlijn bescherming en kan daarvan niet ten nadele van de werknemers worden afgeweken, ook niet met instemming van de werknemer.
  • De werknemersbescherming geldt niet als de werknemer na de overgang zelf besluit zijn dienstbetrekking met de verkrijger niet voort te zetten. De werkgever moet, als ‘goed werkgever’, zijn werknemers juist en volledig informeren over de plannen, hun rechtspositie, keuzemogelijkheden en bijbehorende rechtsgevolgen. Vervolgens moet er sprake zijn van een besluit van de werknemer dat uit vrije wil is genomen, waarmee hij afstand doet van de bescherming die de Richtlijn biedt.

Auteur(s)

  • Soo-ja SchijfSoo-ja Schijf