Representativiteit vakorganisaties bij sociaal plan

Kantonrechter Utrecht 3 januari 2012 (LJN: BU9919)

Heden ten dage wordt bij een reorganisatie veelal een sociaal plan opgesteld door de werkgever, al dan niet in overleg dan wel overeenstemming met de vakorganisaties en/of de ondernemingsraad. Een sociaal plan is – kort gezegd – een regeling bevattende de herplaatsings-, overplaatsings- en gedwongen ontslagvoorwaarden en de in samenhang daarmee getroffen collectieve afvloeiingsvoorwaarden- en criteria.

Wanneer een werkgever zich tot de kantonrechter wendt met het verzoek de arbeidsovereenkomst van een werknemer wegens reorganisatorische redenen te ontbinden en er is een sociaal plan overeengekomen, dan is de vraag in hoeverre de kantonrechter zich door het sociaal plan moet laten leiden wanneer het gaat om de vaststelling van de hoogte van de vergoeding. De toelichting op de Aanbevelingen van de Kring van Kantonrechters (‘de Aanbevelingen’) bepaalt dat bij de beantwoording van deze vraag gekeken dient te worden naar de aard van het sociaal plan.

Is het sociaal plan eenzijdig door de werkgever opgesteld, al dan niet in overleg met de vakorganisaties en/of ondernemingsraad, dan behoeft daar in beginsel geen waarde aan gehecht te worden. In het geval de werkgever enkel met de ondernemingsraad een sociaal plan heeft afgesloten en de betrokken vakorganisaties daar geen partij bij zijn geweest, bestaat volgens de toelichting op de Aanbevelingen onvoldoende grond om bij toekenning van een ontbindingsvergoeding af te wijken van de in de Aanbevelingen genoemde kantonrechtersformule (A x B x C). Het is immers de vraag in hoeverre de ondernemingsraad voldoende afstand tot de ondernemer kan nemen om een objectieve uitspraak te doen over de noodzaak van de reorganisatie en het treffen van afvloeiingsregelingen.

Indien een sociaal plan door de werkgever schriftelijk met voldoende (representatieve) vakorganisaties en eventueel ook met de ondernemingsraad is overeengekomen, dan bepaalt Aanbeveling 3.7 van de Aanbevelingen dat de vergoeding voor elke af te vloeien werknemer in beginsel aan de hand van het sociaal plan vastgesteld moet worden, ook al wijkt de uitkomst af van de volgens de neutrale kantonrechtersformule berekende vergoeding (C = 1). Dit geldt niet indien blijkt dat onverkorte toepassing van het sociaal plan leidt tot een evident onbillijke uitkomst voor de betrokken werknemer. Volgens de toelichting op deze Aanbeveling blijkt dat uitgangspunt is dat een vakorganisatie in ieder geval representatief is indien deze meer dan 20% van het personeel vertegenwoordigt. Echter, ook een sociaal plan dat is overeengekomen met een vakorganisatie die minimaal is vertegenwoordigd onder de werknemers, kan van voldoende gewicht zijn, zo oordeelde de Kantonrechter Utrecht in het hiernavolgende geval.

Feiten

In casu verviel de arbeidsplaats van de werknemer als gevolg van een reorganisatie. De werkgever bood de werknemer een ontslagvergoeding aan gebaseerd op het sociaal plan. De werknemer accepteerde deze vergoeding niet, waarna de werkgever zich tot de Kantonrechter wendde met het verzoek de arbeidsovereenkomst van de betreffende werknemer te ontbinden. De werknemer stelde zich in deze procedure onder meer op het standpunt dat het sociaal plan niet op hem van toepassing was, omdat het niet met een representatieve vakbond was gesloten. Het sociaal plan was namelijk alleen met FNV Bondgenoten gesloten en volgens de ondernemingsraad vertegenwoordigde deze vakbond slechts 5 tot 10% van de werknemers binnen de organisatie van de werkgever.

Oordeel Kantonrechter

Voor de vraag of een werknemer gebonden is aan een sociaal plan hoeft volgens de Kantonrechter niet onderzocht te worden of FNV Bondgenoten wel een voldoende grote representativiteit vertegenwoordigt, uitgedrukt in percentages. Aannemelijk is gemaakt, aldus de Kantonrechter, dat FNV Bondgenoten wel met de ondernemer heeft onderhandeld, zodat het sociaal plan in elk geval voldoende legitiem tot stand is gebracht. De kantonrechter acht representativiteit niet van belang omdat een sociaal plan kan worden gezien als een regeling ter verzachting van de gevolgen van een collectief ontslag, zoals bedoeld in de Wet Melding Collectief Ontslag (‘WMCO’) en het sociaal plan is overeengekomen met een vakbond die aan de formele criteria van de WMCO voldoet. Tot slot overweegt de Kantonrechter nog dat aannemelijk is gemaakt dat de andere bonden dan FNV Bondgenoten niet mee hebben willen onderhandelen over het sociaal plan. De Kantonrechter ontbindt de arbeidsovereenkomst en bepaalt een vergoeding, waarbij hij onder meer rekening houdt met het tussen de werkgever en FNV Bondgenoten overeengekomen sociaal plan.

Tip

Hoewel de Kantonrechter Utrecht met bovengenoemde uitspraak de Aanbeveling over de representativiteit van vakbonden bij het afsluiten van een sociaal plan terzijde legt, blijft vooralsnog gelden dat een sociaal plan meer draagvlak heeft als het met representatieve vakorganisaties – en eventueel ook met de ondernemingsraad – is overeengekomen (zie ook Kantonrechter Haarlem 9 oktober 2006, JAR 2007/39). Het is dan ook aan te raden bij het opstellen van een sociaal plan in overweging te nemen of het in dat geval zinvol is de representatieve vakorganisaties te betrekken, te meer indien de werkgever overweegt een vergoeding aan te bieden die lager is dan de neutrale kantonrechtersformule.

Auteur(s)

  • Suzan van der MeerSuzan van der Meer