Aansprakelijkheid bestuurders tegenover vennootschap: wat verandert er met het wetsvoorstel Bestuur en Toezicht Rechtspersonen?

PSD 2 update 1 – verbod toeslagen voor betalingen met credit cards

Dit artikel vormt de eerste in een reeks van drie artikelen over de herziene richtlijn betaaldiensten (Richtlijn (EU) 2015/2366, hierna: PSD 2) die uiterlijk op 13 januari 2018 moet zijn omgezet in Nederlandse wetgeving.

Ruim een jaar geleden schreven wij al dat de PSD 2 tot een aantal belangrijke aanpassingen in het betalingsverkeer zal gaan leiden. Inmiddels is het aftellen begonnen: uiterlijk op 13 januari 2018 zal de PSD 2 omgezet moeten zijn in Nederlandse wet- en regelgeving. Het wetsvoorstel Implementatiewet herziene richtlijn betaaldiensten voorziet daarin.[i]

In een driedelige reeks zullen wij enkele veranderingen op het gebied van betaaldiensten voor het voetlicht brengen. In dit eerste artikel staat het verbod op surcharging met betrekking tot bepaalde kaartbetalingen centraal. Dit verbod heeft met name gevolgen voor betalingen met credit cards. Veel online retailers staan voor de uitdaging om toeslagen bij betalingen met credit cards uit hun online betaalomgeving te schrappen.

Het in rekening brengen van bepaalde kosten

Neem het voorbeeld van een consument die online een paar schoenen koopt en de transactie wenst af te rekenen met zijn credit card. Het komt dikwijls voor dat als de consument op ‘afrekenen met credit card’ klikt, er een toeslag volgt. Dergelijke toeslagen kunnen door retailers worden gebruikt om de extra kosten die gepaard gaan met een credit card-transactie te compenseren.

De totale kosten voor een retailer bij credit card-transacties bestaan voor een deel uit de afwikkelingsvergoedingen die gewoonlijk in rekening worden gebracht aan de kaartaccepterende betaaldienstaanbieder (bijvoorbeeld de bank van de retailer) door de kaartuitgevende betaaldienstaanbieder (bijvoorbeeld de bank van de consument), die beiden deelnemen aan een bepaald betaalkaartschema (zoals MasterCard of VISA). Afwikkelingsvergoedingen vormen een belangrijk deel van de vergoedingen die banken aan retailers in rekening brengen in het kader van zogenaamde Merchant Service Charges. Retailers kunnen deze kaartkosten enerzijds verwerken in de algemene prijzen van goederen en diensten. Anderzijds kunnen ze de kosten doorbelasten aan de consument in de vorm van een toeslag, een zogenaamde ‘surcharge’.

Sinds 9 december 2015 zijn er overigens bij Verordening (EU) 2015/751 van 29 april 2015 betreffende afwikkelingsvergoedingen voor op kaarten gebaseerde betalingstransacties (hierna: IV–Verordening) maximumpercentages voor de hoogte van de afwikkelingsvergoedingen verplicht gesteld: voor debit cards bedragen deze maximaal 0,2% en voor credit cards 0,3%.

Het verbod op surcharging

Op dit moment is het een retailer op grond van Europees en Nederlands recht toegestaan een toeslag in rekening te brengen bij de consument voor een credit card transactie. Die vergoeding mag op basis van bestaande wetgeving maximaal even hoog zijn als de gemaakte kosten voor het gebruik van dat specifieke betaalmiddel. Dit volgt uit artikel 6:230k van het Burgerlijk Wetboek (“BW”). De gemaakte kosten bestaan met name uit de kosten per transactie (zoals de bij IV-Verordening gemaximeerde afwikkelingsvergoedingen), maar kunnen ook uit bepaalde andere vaste kosten bestaan. Zolang de consument vooraf wordt geïnformeerd over de bijkomende kosten en deze kosten maximaal even hoog zijn als de daadwerkelijk gemaakte kosten voor het gebruik van dat betaalmiddel, mag een retailer de kosten 1:1 doorbelasten. Na 13 januari 2018 mag dit echter niet meer.

PSD 2 verbiedt het in rekening brengen van kosten voor betalingen met credit cards en debet cards.[ii] Dit verbod zal in artikel 7:520 BW met zoveel woorden worden opgenomen. De leden 3 en 4 van artikel 7:520 BW komen te luiden als volgt:

  1. De betaaldienstverlener belet niet dat de begunstigde van de betaler een vergoeding vraagt of een korting aanbiedt voor het gebruik van een bepaald betaalinstrument. De eventueel in rekening gebrachte kosten liggen niet hoger dan de directe kosten die de begunstigde zelf voor het gebruik van het specifieke betaalinstrument maakt.
  2. Geen vergoeding wordt door de begunstigde gevraagd voor het gebruik van betaalinstrumenten waarvan de afwikkelingsvergoedingen onder hoofdstuk II van Verordening (EU) 2015/571 vallen, noch voor betaaldiensten waarop Verordening (EU) nr. 260/2012 van toepassing is.

Wat betekent dit in de praktijk?

Het is in ieder geval na 13 januari 2018 aan retailers verboden een toeslag in rekening te brengen bij het gebruik van een credit card als betaalinstrument. Op dit moment wordt surcharging veel toegepast; denk bijvoorbeeld aan het boeken van vliegtickets of hotels. Retailers zullen daarom goed moeten opletten bij het inrichten van hun betaalomgeving, om betalingen via credit cards conform de PSD 2-regels af te handelen.

Het aanstaande verbod zal ongetwijfeld tot nieuwe ontwikkelingen leiden op het gebied van betaaldiensten en de keuze van de retailer voor goedkopere alternatieve betaalinstrumenten, zoals iDeal, verbreden. Zo kan PSD 2 als katalysator voor nieuwe betaalinstrumenten dienen (lees hier meer over).

 

Annemieke van der Beek en Ate Bremmer adviseren diverse marktpartijen over de toepasselijkheid van de regels van de PSD 2. Meer weten over de aanstaande veranderingen? Neem contact op met één van hen.

 

[i] Op het moment van schrijven van dit nieuwsbericht bevindt de behandeling van de Implementatiewet zich in de voorbereidende fase. Een overzicht van de voortgang is hier te vinden. De verwachting is dat de Implementatiewet in de tweede helft van 2017 zal worden aangenomen.

[ii] Op voorwaarde dat de transacties zijn gebaseerd op credit cards die onderdeel uitmaken van een vierpartijenschema, oftewel betaalinstrumenten waarvan de afwikkelingsvergoedingen onder de IV-Verordening vallen.