Ontslagbesluit vernietigbaar wegens ‘schending’ stemrecht bestuurder?

Een bespreking van Hoge Raad 22 december 2009, NJ 2010/16; JAR 2010/20

De feiten

S. is in januari 1978 tot bestuurder van HGIH B.V. benoemd. Sinds 2001 is S. als CEO werkzaam op basis van een arbeidsovereenkomst met HGIH B.V. Op 7 december 2003 heeft de algemene vergadering van aandeelhouders van HGIH B.V. (“AVA”) buiten vergadering besloten om S. met onmiddellijke ingang als bestuurder te ontslaan. S. was hiervan telefonisch op de hoogte gebracht door M, die geen lid was van enig orgaan van HGIH B.V.
Op 5 januari 2004 heeft de AVA het ontslagbesluit van 7 december 2003 bevestigd. S. was voor deze vergadering uitgenodigd om te worden gehoord omtrent zijn ontslag en om zijn raadgevende stem uit te brengen. S. is niet op die uitnodiging ingegaan. Vervolgens heeft op 9 februari 2004 een bestuursvergadering plaatsgevonden waarin door de overgebleven bestuurders is besloten de arbeidsovereenkomst met S. met onmiddellijke ingang te beëindigen.
Volgens S. is het besluit om hem als bestuurder te ontslaan in strijd met artikel 2:227 lid 4 BW tot stand gekomen, nu hij niet in staat is gesteld een raadgevende stem uit te brengen over dit besluit. Artikel 2:227 lid 4 BW bepaalt het volgende: “De bestuurders en commissarissen hebben als zodanig in de algemene vergaderingen een raadgevende stem.” S. is van mening dat het ontslagbesluit wegens strijd met dit artikel op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar is. De rechtbank heeft de vorderingen van S. toegewezen en het Hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Daarop heeft HGIH B.V. beroep in cassatie ingesteld.

De uitspraak van de Hoge Raad

Ten eerste oordeelt de Hoge Raad dat artikel 2:227 lid 4 BW (raadgevende stem bestuurder in algemene vergadering) ook van toepassing is op besluiten die buiten vergadering om worden genomen.
Vervolgens acht de Hoge Raad het oordeel van het Hof dat S. in dit geval niet voldoende in de gelegenheid is gesteld om een raadgevende stem uit te brengen niet onbegrijpelijk. Het Hof oordeelde dat het feit dat S. door M. – die geen lid van enig orgaan van HGIH B.V. was – telefonisch op de hoogte werd gebracht van de beslissing hem te ontslaan, onvoldoende is om te kunnen worden beschouwd als een uitnodiging van de aandeelhouder aan S. om te reageren op het betreffende besluit of om een raadgevende stem te laten horen. Dat betekent dat het ontslagbesluit niet op rechtsgeldige wijze tot stand is gekomen en op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar is.
De Hoge Raad oordeelt tot slot dat de vernietiging van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon meebrengt dat het besluit van meet af aan niet rechtsgeldig is geweest.

Aandachtspunten

  • Het is van belang bestuurders bij een voorgenomen ontslagbesluit voldoende de mogelijkheid te bieden gebruik te maken van de hen toekomende bevoegdheid een raadgevende stem uit te brengen. Dit geldt ook ten aanzien van besluiten die buiten de vergadering om worden genomen.
  • Wanneer wordt geoordeeld dat een bestuurder bij een voorgenomen ontslagbesluit niet voldoende in de gelegenheid is gesteld zijn raadgevende stem uit te brengen, brengt dat met zich dat het betreffende besluit van meet af aan niet rechtsgeldig is geweest. Dat kan gevolgen hebben voor de arbeidsrechtelijke relatie tussen de bestuurder en de vennootschap. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt namelijk dat een geldig ontslagbesluit van een orgaan van de vennootschap in beginsel tevens beëindiging van de arbeidsrechtelijke relatie tot gevolg heeft, tenzij er sprake is van een wettelijk opzegverbod (bijvoorbeeld ziekte of zwangerschap) of partijen anders zijn overeengekomen.
  • Indien deze laatst genoemde uitzonderingen niet aan de orde zijn, dient men zich er bewust van te zijn dat een niet rechtsgeldig genomen ontslagbesluit aan het ‘automatisch’ doorsnijden van zowel de vennootschapsrechtelijke als de arbeidsrechtelijke band in de weg staat, met als gevolg dat de arbeidsovereenkomst niet is geëindigd met alle (financiële) consequenties van dien.