Ontbindingsverzoek in verband met strafrechtelijke veroordeling werknemer

Kantonrechter Maastricht, 21 februari 2011, LJN: BP 5184

Feiten

Werknemer is veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar voor harddrugs gerelateerde strafbare feiten. Hij deed een en ander in het verband van een criminele organisatie.

Werkgever is een gezondheidsorganisatie en is van mening dat zij, gezien deze veroordeling, werknemer niet in dienst kan houden en verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Werkgever voert hiertoe onder andere aan dat zij uit hoofde van haar verantwoordelijkheid als gezondheidsorganisatie het zich niet kan permitteren een medewerker bij haar in dienst te houden, die zich schuldig heeft gemaakt aan feiten die regelrecht indruisen tegen de volksgezondheid.

Oordeel kantonrechter

De kantonrechter verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 17 december 2010 (JAR 2011,19; LJN BO1821) waarin de Hoge Raad heeft geoordeeld dat werkverzuim als gevolg van een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, geen dringende reden vormt voor een ontslag op staande voet. Dat geldt ook indien het werkverzuim het gevolg is van een veroordeling wegens een ernstig delict, waardoor de werknemer nog geruime tijd gedetineerd blijft.

De kantonrechter acht deze overwegingen eveneens van toepassing op een ontbindingsverzoek, zelfs als het ontbindingsverzoek niet op een dringende reden, maar op gewijzigde omstandigheden is gestoeld. De kantonrechter betrekt hierbij wel in zijn oordeel dat werkgever nadrukkelijk stelt dat aan werknemer geen vergoeding dient toe te komen waardoor het gevolg van de ontbinding op korte termijn vergelijkbaar is met de gevolgen van een ontslag op staande voet.

De Kantonrechter oordeelt vervolgens dat er sprake moet zijn van een voldoende direct verband tussen het strafbare feit dat werknemer begaan heeft en zijn werkzaamheden. In dit geval was dat verband er volgens de kantonrechter onvoldoende.

Vervolgens dient naar het oordeel van de kantonrechter gekeken te worden naar andere omstandigheden zoals de leeftijd van de werknemer, hoelang hij al in dienst is, hoe goed hij functioneert, of het strafbare feit invloed heeft gehad op diens functioneren en of werkgever directe schade heeft geleden door de detentie. Ook speelt een rol of het strafbare feit zich in de privé sfeer of op het werk heeft voorgedaan. Gelet op al deze omstandigheden komt de kantonrechter tot het oordeel dat de werknemer een tweede kans verdient en wordt het ontbindingsverzoek afgewezen.

Conclusie

Deze uitspraak bevestigt de lijn in de jurisprudentie dat detentie van een werknemer niet voldoende is voor ontslag. Nieuw is het oordeel van de kantonrechter dat de overwegingen van de Hoge Raad ten aanzien van een ontslag op staande voet eveneens van toepassing zijn op een ontbindingsverzoek, zelfs als dit ontbindingsverzoek niet op een dringende reden, maar op een verandering van omstandigheden is gestoeld.

Auteur(s)

  • Thijs RidderThijs Ridder