Ontbindingsverzoek door werknemer na opzegging door werkgever

Rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, LJN:BV0899

Het Nederlands arbeidsrecht kent een duaal ontslagstelsel. Wanneer een werkgever de arbeidsovereenkomst met een werknemer wenst te beëindigen – en het daarover niet eens kan worden met die werknemer – dan kan de werkgever kort gezegd ontbinding verzoeken bij de kantonrechter of zij kan het UWV WERKbedrijf vragen om toestemming om de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Een belangrijk verschil tussen deze procedures betreft de mogelijke vergoeding. Waar de kantonrechter een vergoeding naar billijkheid kan toekennen, kan het UWV WERKbedrijf dit niet, maar dient de werknemer een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag te vorderen. Zo’n procedure dient de werknemer zelf aanhangig te maken. De hoogte van een eventuele schadevergoeding dient niet te worden gebaseerd op de kantonrechtersformule en is onzeker. De procedure bij de kantonrechter geeft een werknemer wat betreft een vergoeding derhalve meer houvast. Het komt daarom voor dat werknemers trachten de kantonrechtersformule af te dwingen. Dit kan een werknemer doen door, nadat de werkgever een ontslagaanvraag heeft ingediend bij het UWV WERKbedrijf, zelf ontbinding te vragen.

De Hoge Raad heeft op 11 december 2009 (Van Hooff/ Elektra) bevestigd dat een dergelijk verzoek kan worden ingediend zolang de arbeidsovereenkomst bestaat, derhalve ook nadat een ontslagaanvraag is ingediend (en de ontslagvergunning is verleend) en de opzegtermijn nog loopt. De Hoge Raad heeft daar wel de voorwaarde aan gesteld dat de werknemer in de ontbindingsprocedure duidelijk zal moeten maken dat sprake is van een zodanige verandering in omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve op een nog eerder tijdstip dan waartegen is opgezegd, behoort te eindigen. Er geldt derhalve een zwaardere toets en daarmee zijn de mogelijkheden voor een werknemer aanzienlijk beperkt.

Kantonrechter: geen zwaardere toets

Onlangs heeft de kantonrechter te Utrecht een beschikking gewezen waarin de kantonrechter de zwaardere toets niet van toepassing acht. In deze zaak was een werknemer in dienst als Senior Vermogensbeheerder bij een verlener van financiële diensten. Op een zeker moment heeft de werkgever op zijn kantoor een vestiging van Friesland Bank geopend. De werkgever heeft zijn activiteiten op het gebied van vermogensbeheer in 2009 gestaakt en overgedragen aan Friesland Bank. De werknemer werd daar vervolgens gedetacheerd. In 2010 besloot Friesland Bank de werkzaamheden voortaan te laten uitvoeren door een derde. Daardoor kon de werknemer in de toekomst geen activiteiten meer uitvoeren voor Friesland Bank. Partijen gingen daarop in overleg over de toekomst. Bij brief van 18 augustus 2011 kondigde de raadsman van de werknemer aan dat, indien geen oplossing zou worden bereikt, hij op korte termijn gerechtelijke procedures zou starten. Daarop zegde Friesland Bank het vertrouwen in de werknemer op en zij diende op 14 september 2011 een ontslagaanvraag in bij het UWV WERKbedrijf. De ontslagaanvraag werd gehonoreerd op 11 november 2011, waarna de arbeidsovereenkomst tegen 1 februari 2012 werd opgezegd. De werknemer heeft vervolgens op 21 september 2011 ontbinding verzocht van zijn arbeidsovereenkomst.

De werkgever stelde dat de werknemer de ontbinding enkel had verzocht om een substantiële ontslagvergoeding te krijgen. De werkgever beriep zich op het arrest Van Hooff/ Elektra. De kantonrechter volgde de werkgever niet. Doorslaggevend achtte de kantonrechter dat de werknemer via zijn raadsman al bij brief van 18 augustus 2011, derhalve vóór de indiening van de ontslagaanvraag, bij de werkgever had aangekondigd dat hij gerechtelijke procedures zou starten indien partijen niet tot elkaar zouden komen. Het had de werkgever duidelijk moeten zijn geweest dat hiermee een ontbindingsprocedure kon worden bedoeld. De werkgever heeft desalniettemin een ontslagaanvraag ingediend. De omstandigheid dat de overeenkomst reeds was opgezegd tegen 1 februari 2012 heeft vanwege de aankondiging van gerechtelijke procedure door de werknemer in dit geval niet tot gevolg dat een zwaardere toets op het ontbindingsverzoek moet worden toegepast. Omdat vaststond dat de functie van de werknemer kwam te vervallen en werkgever zich niet voldoende had ingespannen om voor de werknemer een andere functie te vinden, heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2012 beëindigd. Daarbij is aan de werknemer een vergoeding toegekend ter hoogte van C=1,25 wat neerkomt op ruim EUR 190.000,- bruto.

Conclusie

Waar het arrest Van Hooff/ Elektra bijzondere omstandigheden vereist voor een ontbindingsverzoek nadat een ontslagaanvraag is ingediend, is de kantonrechter te Utrecht van mening dat deze zwaardere toets niet onder alle omstandigheden moet worden toegepast. In het onderhavige geval is doorslaggevend dat al voordat de ontslagaanvraag is ingediend, is aangekondigd dat de werknemer procedures overweegt. Dat is opmerkelijk nu het regelmatig voorkomt dat tijdens schikkingonderhandelingen ‘gedreigd’ wordt met procedures. De vraag is dan ook in hoeverre deze uitspraak op zichzelf staat. Mijns inziens doet deze uitspraak geen afbreuk aan de zwaardere toets die Van Hooff/ Elektra vereist. Dat neemt niet weg dat het voor de werknemer onder omstandigheden kan lonen om al tijdig over een ontbindingsprocedure te beginnen.