Ondernemingsraad had oordeel bedrijfscommissie af moeten wachten. Voorlopige voorziening afgewezen

Kantonrechter Haarlem, 11 mei 2011, LJN BQ4752

De Bedrijfscommissie

In de WOR is bepaald dat iedere belanghebbende de kantonrechter kan verzoeken te bepalen dat de ondernemer of de ondernemingsraad gevolg dient te geven aan hetgeen in de WOR is bepaald. Een verzoek aan de kantonrechter is in beginsel slechts ontvankelijk indien de verzoeker vooraf schriftelijk de bemiddeling van de Bedrijfscommissie heeft gevraagd. De Bedrijfscommissie dient vervolgens binnen twee maanden een verslag van haar bevindingen uit te brengen, welke termijn met instemming van beide partijen met twee maanden kan worden verlengd. Binnen 30 dagen nadat de Bedrijfscommissie haar advies heeft uitgebracht moet de verzoeker zijn verzoekschrift bij de kantonrechter indienen. Algemeen geaccepteerd lijkt dat de gang naar de Bedrijfscommissie kan worden overgeslagen in geval van een spoedeisende situatie die ertoe leidt dat het oordeel van de Bedrijfscommissie niet kan worden afgewacht. Ook wanneer de bemiddeling door de Bedrijfscommissie naar de mening van partijen geen oplossing zal kunnen bieden, hoeft geen bemiddelingspoging te worden gedaan.

De situatie

Op 13 december 2010 heeft de werkgever de OR geïnformeerd over zijn voornemen om een tweeploegendienst in te zetten op een van haar afdelingen in plaats van een éénploegendienst voor een periode van 27 maanden. De werkgever heeft de OR laten weten dat het besluit wordt uitgevoerd met ingang van 1 februari 2011. De OR stelt dat sprake is van een instemmingsplichtig besluit en beroept zich op de nietigheid van dit besluit. De OR wendt zich vervolgens bij brief van 30 maart 2011 tot de Bedrijfscommissie ter bemiddeling. De behandeling bij de Bedrijfscommissie is bepaald op 17 mei 2011. De Bedrijfscommissie heeft laten weten dat zij haar rapport uiterlijk op 30 mei 2011 uit zal brengen. De OR wendt zich daarnaast ook tot de voorzieningenrechter en vordert een verbod tot uitvoering van het genomen besluit op straffe van een dwangsom. De werkgever voert aan dat de bij de Bedrijfscommissie lopende procedure moet worden afgewacht alvorens een verzoek tot een voorlopige voorziening dient te worden behandeld. Daarnaast benadrukt de werkgever dat mocht bemiddeling niet slagen, de Bedrijfscommissie alsnog kan adviseren.

De kantonrechter

De kantonrechter is van oordeel dat – los van de inhoudelijke beoordeling van de stellingen van de OR – op dit moment (nog) geen aanleiding bestaat om de gevorderde voorlopige voorzieningen te treffen. De werkgever heeft naar het oordeel van de kantonrechter terecht aangevoerd dat er geen reden is om de uitkomst van de procedure bij de Bedrijfscommissie niet af te wachten. De procedure die artikel 36 WOR voor het onderhavige voorschrijft, houdt ook in dat eerst die bemiddeling en/of het advies moet worden afgewacht. Pas daarna kan de rechter een inhoudelijk oordeel geven. Dit is anders indien de behandeling bij de Bedrijfscommissie niet afgewacht kan worden. Daarbij komt dat de Ondernemingsraad twee maanden heeft gewacht met het indienen van het verzoek bij de Bedrijfscommissie. Omdat de OR zelf eerst twee maanden heeft gewacht, kan niet worden gesteld dat het advies van de Bedrijfscommissie, dat op korte termijn zal worden gegeven, niet kan worden afgewacht. De gevorderde voorlopige voorzieningen worden geweigerd.

Tips

  • De OR dient tijdig de schriftelijke bemiddeling van de Bedrijfscommissie te vragen om niet-ontvankelijkheid en vertraging in een gerechtelijke procedure te voorkomen.
  • De procedure bij de Bedrijfscommissie kan worden overgeslagen in het geval van een spoedeisend belang en indien partijen geen bemiddeling nodig achten.