Is een compensatieregeling die ziet op primaire arbeidsvoorwaarden een overeenkomst tussen ondernemer en OR in de zin van artikel 32 lid 2 WOR?

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 18 juli 2012, zaaknr. HV 200.103.257

Feiten

Tussen de ondernemingsraad van Mercedes Benz (de OR) en Mercedes Benz bestaat een geschil over de uitleg van een compensatieregeling voor de gevolgen van een nieuwe werktijdenregeling. De OR vordert primair een verklaring voor recht dat met de ondernemer een overeenkomst is gesloten, waarbij met de wijziging van een regeling over arbeidstijden een inkomensgarantie is gegeven. Subsidiair vordert de OR een verklaring voor recht dat Mercedes Benz gehouden is instemming als bedoeld in artikel 27 WOR te vragen aan de OR voor toekomstige wijzigingen van de werktijdenregelingen. Mercedes Benz voert verweer en is van mening dat de OR ten onrechte een nalevingsvordering ex artikel 36 lid 2 WOR heeft ingesteld, nu de compensatieregeling niet is aan te merken als een ondernemingsovereenkomst als bedoeld in artikel 32 WOR. De compensatieregeling hangt nauw samen met de gevraagde en verkregen instemming van de OR met betrekking tot de wijziging van werktijden, zodat de OR op grond van artikel 27 lid 5 WOR slechts de mogelijkheid heeft om een beroep te doen op de nietigheid van het besluit van Mercedez Benz tot het invoeren van de nieuwe werktijdenregeling.

Kantonrechter Maastricht

Op 9 december 2011 deed de Kantonrechter Maastricht uitspraak in deze zaak. De kantonrechter wees de primaire vordering af en overwoog dat de compensatieregeling niet is aan te merken als het resultaat van een door Mercedes Benz aan de OR verleende extra bevoegdheid om tot afspraken te komen over (onder meer) een regeling tot compensatie van de gevolgen van een nieuwe werktijdenregeling. Van een conflict ex artikel 3 lid 2 juncto artikel 32 WOR is geen sprake, nu het uitsluitend de uitleg van de inhoud van een compensatieregeling betreft waarover partijen in het kader van de voorstelde werktijdenregeling overeenstemming bereikt dachten te hebben. De regeling van werktijden en compensatie is in één pakket behandeld, omdat met de compensatieregeling volgens de ondernemer de gevolgen zijn geregeld. De OR kan de andere interpretatie die Mercedes Benz geeft aan de compensatie van de gevolgen van de nieuwe werktijdenregeling slechts aanvechten door een beroep te doen op de nietigheid ex artikel 27 lid 5 WOR. Ten aanzien van de subsidiaire vordering van de OR is geoordeeld dat over toekomstige wijzigingen die passen binnen het kader van de nieuwe werktijdenregeling geen instemming gevraagd hoeft te worden.

Hof ’s-Hertogenbosch

Het Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt anders. Op grond van de wetsgeschiedenis bij artikel 32 WOR kan ervan uit worden gegaan dat ook overeenkomsten tussen de onderneming en de ondernemingsraad, die (mede) betrekking hebben op arbeidsvoorwaarden, kunnen worden aangemerkt als overeenkomsten in de zin van artikel 32 lid 2 WOR. Geschillen met betrekking tot de naleving van deze overeenkomsten kunnen in beginsel ex artikel 36 lid 2 WOR aan de kantonrechter worden voorgelegd. Het Hof is van oordeel dat Mercedes-Benz aan de OR instemming heeft verzocht in verband met een nieuwe werktijdenregeling en dat de compensatieregeling, die ziet op de gevolgen voor de primaire arbeidsvoorwaarden van de werknemers, redelijkerwijs niet anders is aan te merken dan een (zelfstandige) overeenkomst tussen de OR en Mercedes-Benz als in artikel 32 lid 2 WOR. Daaraan doet niet af dat de overeenkomst beoogt flankerend te werken bij de nieuwe werktijdenregeling, waarvoor ex artikel 27 WOR instemming is vereist, omdat een dergelijke overeenkomst niet op één lijn is te stellen met de werktijdenregeling als zodanig. Het Hof concludeert dan ook dat de OR zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat een nalevingsprocedure kan worden gestart ex artikel 36 lid 2 WOR. De subsidiaire vordering van de OR ten aanzien van instemming voor toekomstige wijzigingen van de werktijdenregeling is onvoldoende concreet geformuleerd en wordt afgewezen.

Tips

  • Primaire arbeidsvoorwaarden vallen in beginsel buiten het instemmingsrecht van de OR op grond van artikel 27 WOR.
  • Overeenkomsten tussen de onderneming en de ondernemingsraad, die (mede) betrekking hebben op arbeidsvoorwaarden, kunnen worden aangemerkt als ondernemingsovereenkomsten in de zin van artikel 32 lid 2 WOR. Naleving van de overeenkomst dient te worden gevorderd in een procedure ex artikel 36 lid 2 WOR.
  • De ondernemingsovereenkomst is het middel om als OR aanvullende bevoegdheden toegekend te krijgen. De wet schrijft twee vormvoorschriften voor, namelijk aanmelding van de overeenkomst bij de Bedrijfscommissie (daarvan wordt echter aangenomen dat het geen voorwaarde is voor een rechtsgeldige overeenkomst) en het schriftelijkheidsvereiste (uit jurisprudentie volgt echter dat ook mondelinge overeenkomsten geldig kunnen worden geacht). Wel geldt dat de bewijslast rust op de partij die zich op het bestaan van de afspraak beroept en dat zal veelal de ondernemingsraad zijn.

Auteur(s)

  • Soo-ja SchijfSoo-ja Schijf