Hoge Raad specificeert het goed werknemerschap

De Hoge Raad heeft in het arrest van 11 juli 2008 het Taxi-Hofman criterium nader uitgewerkt. De Hoge Raad heeft bepaald dat er eerst geoordeeld dient te worden of de werkgever in het licht van alle omstandigheden van het geval als goed werkgever heeft gehandeld en een redelijk voorstel heeft gedaan. Vervolgens dient er pas gekeken te worden of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd.

Taxi-Hofman-arrest

De Hoge Raad heeft in het Taxi-Hofman-arrest (1998) aan de hand van het goed werknemerschap invulling gegeven aan de mogelijkheden voor de werkgever om tot eenzijdige wijziging van de arbeidsovereenkomst te komen. De Hoge Raad oordeelde dat op basis van het goed werknemerschap van een werknemer kan worden verwacht dat deze in het algemeen positief behoort in te gaan op redelijke voorstellen van de werkgever die verband houden met gewijzigde omstandigheden op het werk. Een voorstel kan alleen door de werknemer worden afgewezen wanneer aanvaarding redelijkerwijs niet door de werknemer kan worden gevergd. Door de jaren heen hebben verscheidene (lagere) rechters in de lijn met het Taxi Hofman-arrest uitspraak gedaan. Onlangs heeft de Hoge Raad op 11 juli 2008 een nadere uitleg gegeven ten aanzien van de door de Hoge Raad in 1998 ontwikkelde regel.

Casus

De werknemer bekleedt de functie van Technisch Directeur bij een vennootschap. Als gevolg van een reorganisatie komt de functie enkele jaren later te vervallen. In verband met de ontstane gewijzigde omstandigheden op het werk is aan werknemer een voorstel gedaan om de functie van adviseur/tweede man onder de Vice President te gaan bekleden. Aangezien werknemer van mening is dat er geen sprake is van een redelijk voorstel tot wijziging van zijn functie, dat hij als goed werknemer redelijkerwijs behoort te aanvaarden, accepteert hij de functie niet. Als gevolg van het feit dat werknemer weigert de werkzaamheden in de functie van adviseur/tweede man onder de Vice President te verrichten, staakt de werkgever de loondoorbetaling. De werknemer vordert doorbetaling van loon. De kantonrechter wijst de vorderingen af. In hoger beroep oordeelt het hof dat de werknemer ten onrechte afwijzend heeft gereageerd op de voorstellen van werkgever. De vordering wordt afgewezen en werknemer gaat hiertegen in cassatie bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad ziet geen grond voor afwijking van de “Taxi Hofman” rechtsregel. De Hoge Raad voegt er echter wel aan toe dat bij de uitleg van de rechtsregel het accent niet eenzijdig aan de kant van de werknemer mag worden gelegd. Allereerst dient er geoordeeld te worden of de werkgever in het licht van alle omstandigheden van het geval als goed werkgever heeft gehandeld en een redelijk voorstel heeft gedaan. Vervolgens dient er pas gekeken te worden of aanvaarding van het door de werkgever gedane redelijke voorstel in het licht van alle omstandigheden van het geval in redelijkheid van de werknemer kan worden gevergd. Bij het hanteren van de hiervoor bedoelde maatstaf is uitgangspunt dat er geen sprake is van een schriftelijk beding dat de werkgever de bevoegdheid geeft een in de arbeidsovereenkomst voorkomende arbeidsvoorwaarde te wijzigen. Indien daarvan wel sprake is, bepaalt artikel 7:613 BW dat de werkgever op dat beding slechts een beroep kan doen, indien hij bij de wijziging een zodanig zwaarwichtig belang heeft dat het belang van de werknemer dat door de wijziging zou worden geschaad, daarvoor naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid moet wijken.

Commentaar

Voordat er geoordeeld kan worden of een werknemer een ‘redelijk’ voorstel van werkgever had behoren te accepteren, dient er geoordeeld te worden of de werkgever wel daadwerkelijk een redelijk voorstel heeft gedaan. Het is dus goed om als werkgever te realiseren dat er in het kader van de ‘redelijkheidstoets’ allereerst gekeken wordt of de werkgever wel daadwerkelijk een redelijk voorstel heeft gedaan, voordat men aankomt bij de beoordeling of de werknemer een ‘redelijk’ voorstel van werkgever had behoren te accepteren.

Auteur(s)