Hof wijst beëindigingsvergoedingen van voormalige werknemers van RBS N.V. (voorheen: ABN AMRO BANK) toe

Een bespreking van de arresten van het Hof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem 28 september 2010, LJN: BN8425; LJN: BN8464; LJN: BN8468; LJN: BN8537; LJN: BN8660

De arresten van het Hof lenen zich voor een gezamenlijke bespreking, nu het feitencomplex min of meer hetzelfde is en het Hof dezelfde rechtsvragen dient te beantwoorden.

Samenvatting van het arrest

ABN AMRO heeft een aantal werknemers als ‘key talents’ gevraagd te blijven gedurende een periode van overname door een consortium van banken. Daarbij is toegezegd dat de werknemers bij een eventueel later vertrek aanspraak konden maken op een beëindigingsvergoeding op basis van het op dat moment geldende beleid. Na het doen van deze toezeggingen, maar vóór het vertrek van de werknemers, heeft ABN AMRO een nieuw beleid voor het bepalen van de hoogte van de beëindigingsvergoeding vastgesteld.

Het gerechtshof heeft geoordeeld dat de door ABN AMRO gedane toezeggingen, in beginsel, leiden tot gehoudenheid van ABN AMRO om de tegenprestatie (beëindigingsvergoeding op basis van het oude beleid) te voldoen. De ABN AMRO kan de gedane toezegging niet eenzijdig wijzigen. Van de werknemers kan bovendien, in het licht van de omstandigheden van het geval, in redelijkheid niet worden gevergd dat zij een beëindigingsvergoeding op basis van het nieuwe beleid accepteren.

De door ABN AMRO aangevoerde omstandigheden, waaronder de kredietcrisis, de staatssteun en de maatschappelijke opvatting over bonussen en afvloeiingsregelingen, zijn op zichzelf genomen onvoorziene omstandigheden. Deze onvoorziene omstandigheden vormen echter geen grond voor een wijziging van de toegezegde beëindigingsvergoeding. De kredietcrisis heeft niet tot gevolg dat ABN AMRO de toegezegde vergoedingen niet kan betalen. Sterker nog onweersproken is gesteld dat ABN AMRO, na de wijziging van de variabele beloning, de vaste salarissen van het (top) management met 30% heeft verhoogd.

De staat is er bij de interventie vanuit gegaan dat bestaande arbeidsvoorwaarden moesten worden geëerbiedigd. Voor zover ABN AMRO met haar beleidswijziging gehoor heeft gegeven aan de maatschappelijke kritiek op het beloningsbeleid, betekent dat niet dat de werknemers geen beroep mogen doen op de nakoming van hetgeen ABN AMRO eerder met hen is overeengekomen. Voorts is ABN AMRO een grote organisatie waarvan daarbij behorende maatschappelijke verantwoordelijkheid verwacht mag worden.

De gevolgen van het door haar in het verleden gehanteerde beloningsbeleid behoren eerder voor haar rekening dan voor die van de individuele werknemer te komen. Daarom kan van de werknemers niet worden verwacht dat zij de aanspraken op de hen toegezegde beëindigingsvergoeding laten varen. Dit temeer nu een half jaar eerder verschillende werknemers zijn vertrokken met een beëindigingsvergoeding op basis van het oude beleid. Het Hof is derhalve van oordeel dat ABN AMRO de gedane toezeggingen dient na te komen.

Uit dit arrest kunnen een aantal aspecten worden herleid:

  • Het uitgangspunt is dat wanneer de werknemer aan de van hem gevraagde prestatie heeft voldaan, de werkgever gehouden is de in het vooruitzicht gestelde tegenprestatie te voldoen. Slechts in uitzonderlijke gevallen is er ruimte voor uitzonderingen.
  • Ook (ongeschreven) beloningsbeleid kan gezien worden als een arbeidsvoorwaarde. Gedane toezeggingen op basis van ongeschreven (beleids)regels kunnen niet op basis van een mogelijk overeengekomen eenzijdigwijzigingsbeding in een beloningsregeling worden gewijzigd. Een dergelijk beding ziet namelijk alleen op wijziging van het betreffende geschreven beleid.

Auteur(s)