Handhaving Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties uitgesteld tot zeker 1 januari 2018 | Kennedy Van der Laan

Handhaving Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties uitgesteld tot zeker 1 januari 2018

Op 2 februari 2016 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties (“Wet DBA”). De wet is op 1 mei 2016 in werking getreden en er zou een overgangsperiode gelden tot 1 mei 2017 waarin de Belastingdienst de Wet DBA niet zou handhaven. In een eerder artikel wezen wij al op de belangrijkste wijzigingen voor de praktijk.

Opschorting overgangsperiode

Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft de Tweede Kamer afgelopen vrijdag bericht dat die overgangsperiode en daarmee de handhaving op de Wet DBA zal worden opgeschort tot in ieder geval 1 januari 2018. Tot die tijd hoeven opdrachtgevers en opdrachtnemers in beginsel niet te vrezen voor sancties van de Belastingdienst.

Herijking wettelijke criteria

Met de opschorting van de handhaving wordt met name het kabinet de ruimte gegeven om een aantal relevante criteria tegen het licht van de huidige praktijk te houden. Zo wordt men relatief makkelijk als zzp’er aangemerkt als de zzp’er vrij vervangbaar is. Als sprake is van een “gezagsverhouding” dan wordt weer relatief snel aangenomen dat het een werknemer in loondienst betreft. Deze twee wettelijke criteria stammen uit 1907 en zijn volgens Wiebes aan herijking toe. Wiebes geeft hiermee geen gehoor aan het verzoek van een aantal oppositiepartijen om de VAR weer in ere te herstellen. Medio 2017 zal de situatie opnieuw worden beoordeeld en zal de opschorting eventueel nogmaals worden verlengd.

En nu?

In beginsel kunnen opdrachtgevers en opdrachtnemers de modelovereenkomsten die door de Belastingdienst zijn gepubliceerd gewoon blijven gebruiken. Voor de groep evident kwaadwillenden zal de Belastingdienst echter wel met ingang van 1 mei 2017 starten met een (repressief) handhavingsbeleid. Kwaadwillend is volgens Wiebes de opdrachtgever of opdrachtnemer die opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan, omdat hij weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking. Voor deze groep geldt geen verlengde implementatietermijn. Het blijft dus oppassen bij het aangaan van een opdrachtovereenkomst.

Auteur(s)

  • Aniek HuigenAniek Huigen