Finale kwijting in vaststellingsovereenkomst

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 26 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3712

Veel arbeidsovereenkomsten eindigen met wederzijds goedvinden. Afspraken hieromtrent worden neergelegd in een vaststellingsovereenkomst. Vaak spreekt men ook af dat er over en weer niets meer te vorderen is (finale kwijting).

Het hof

Het hof Arnhem-Leeuwarden staat voor de vraag of een finale kwijting in de weg staat van een loonvordering. Een werknemer stelt na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst dat hij nog in de verkeerde salarisgroep was ingedeeld en dat hem een hogere vergoeding toekomt. Voor de onderbouwing van zijn standpunt verwijst hij naar verschillende e-mails. Zo is in één e-mail in het kader van het overeenkomen van de vaststellingsovereenkomst door hem aangegeven dat in de overeenkomst de functietitel Account Director in plaats van Account Manager moest worden opgenomen, omdat hij niet op een lager niveau elders wilde beginnen.
Uit andere e-mails kan het hof alleen afleiden dat de werknemer weliswaar verschillende keren aanspraak heeft gemaakt op salarisverhoging, maar niet dat hierover overeenstemming is bereikt. Er kan daarom niet worden geconstateerd dat er sprake is van een aanvaard aanbod tot wijziging van de arbeidsovereenkomst en daarmee ook niet van een overeengekomen salariswijziging.

Vervolgens kijkt het hof of de vaststellingsovereenkomst de loonvordering belemmert. Om die vraag te kunnen beantwoorden zijn de bedoelingen van de partijen en alle omstandigheden van belang. In de vaststellingsovereenkomst staat van welke bedragen is uitgegaan en dat die als uitgangspunt zijn genomen voor de gemaakte afspraken. In de e-mail waarin de werknemer heeft aangegeven dat zijn functietitel moet worden gewijzigd, wees hij er alleen op dat hij niet op een lager niveau elders wilde beginnen, maar hierin werd niets afgesproken over een wijziging van de vergoeding.

Tevens is van belang dat hij in de gelegenheid is gesteld juridisch advies in te winnen, dat ook heeft gedaan en dat de werkgever hiervoor een budget ter beschikking stelde. De werkgever mocht er daarom van uitgaan dat de werknemer de gevolgen van ondertekening van de overeenkomst kon overzien. Hij was daarom niet verplicht de werknemer erop te wijzen dat zijn salarisvordering zou komen te vervallen door de ondertekening, zeker nu met het ruim geformuleerde finale kwijtingsbeding voldoende duidelijk was dat elke aanspraak over en weer zou vervallen. De werknemer kon zich ook niet beroepen op zijn gebrekkige kennis van de Nederlandse taal, juist omdat hij de overeenkomst heeft getekend nadat hij juridisch advies had ingewonnen. Het hof wijst zijn loonvordering af.

Commentaar

Het hof bekeek aan de hand van de bedoelingen van beide partijen of de finale kwijting de loonvordering in de weg stond. Ook van belang was of de werknemer wist waarmee hij akkoord ging. Het feit dat de werknemer had getekend na een jurist geraadpleegd te hebben en daarna pas met zijn vordering kwam, maakte zijn zaak zwak. Maar een finale kwijting is niet altijd finaal, mocht er iets niet zijn opgenomen in een overeenkomst, dan kan dit alsnog voor risico van de werkgever komen.

Dit artikel is ook verschenen in OR Informatie op 21 september 2015.

Auteur(s)

  • Chris NekemanChris Nekeman