De vrijheid van de OR bij het indelen van kiesgroepen

Rechtbank Haarlem 10 april 2012, LJN: BW3952

De samenstelling van de Ondernemingsraad (hierna: ‘OR’) wordt bepaald door de uitkomst van de OR-verkiezingen. Hoe de verkiezingen van een OR worden vormgegeven is vastgelegd in het OR-reglement van de OR. Kort gezegd kunnen OR-verkiezingen plaatsvinden op basis van 1) het personenstelsel, waarbij individuen zich kandidaat stellen of 2) het lijstenstelsel, waarbij individuen zich verenigen op een gezamenlijke lijst. In beide stelsels wordt gebruik gemaakt van kandidatenlijsten.

Kandidatenlijsten worden ingediend door (a) de vakbonden en (b) een groep van kiesgerechtigde werknemers die niet lid zijn van een vakbond die een lijst heeft ingediend, de zogeheten vrije lijsten.

Binnen de kiesstelsels zijn er verschillende mogelijkheden om de OR-verkiezingen in te richten. Gekozen kan worden voor een 1) integraal systeem, waarbij alle kiesgerechtigde medewerkers stemmen op alle kandidaten uit de onderneming of 2) het kiesgroepenstelsel waarbij de onderneming wordt opgedeeld in groepen (naar functie of kenmerk) of onderdelen (afdelingen of vestigingen) of 3) een combinatie van beiden.

In de onderhavige zaak ging het om de OR van Albert Heijn. In zijn reglement had de OR gekozen voor het kiesgroepenstelsel.

De feiten

De OR bestond uit 18 leden, waarvan tien vanuit de winkelorganisatie, zeven vanuit de logistiek en één vanuit het hoofdkantoor. Van de tien leden vanuit de winkelorganisatie werden er vier gekozen uit kiesgroepen bestaande uit managers en teamleiders en zes uit kiesgroepen vanuit de overige medewerkers. In het reglement was verder bepaald dat voor een vrije kandidatenlijst maximaal vijf handtekeningen nodig zijn.

Vlak voor de OR-verkiezingen vroegen de vakbonden om uitstel van de verkiezingen. Zij vonden dat de indeling in kiesgroepen een onjuiste vertegenwoordiging van de in de onderneming werkzame personen bood, omdat sprake zou zijn van een extreme ondervertegenwoordiging van het winkelpersoneel en een extreme oververtegenwoordiging van de leidinggevenden. Daarnaast waren zij van mening dat het vereiste aantal handtekeningen voor de vrije lijsten niet vijf, maar conform artikel 9 WOR dertig moest zijn. De vakbonden waren daarom van mening dat het reglement gewijzigd moest worden en vorderden daarom uitstel van de verkiezingen.

De OR voerde verweer en stelde dat de indeling in de kiesgroepen al sinds 1999 bestond en zorgvuldig tot stand was gekomen. De verdeling in kiesgroepen was volgens de OR gerechtvaardigd omdat het personeel uit vele parttimers en scholieren/studenten bestond. Een zuivere toepassing van ‘one man one vote’ zou tot een wanverhouding leiden. Ten aanzien van de vrije lijsten stelde de OR dat uit de WOR geen verplichting van dertig handtekeningen volgde.

Rechtbank Haarlem 10 april 2012

De voorzieningenrechter stelt vast dat de OR bij de inrichting van kiesgroepen een grote vrijheid heeft binnen de doelstellingen van de wet. De gekozen indeling roept wel vragen op. Het aanwijzen van kiesgroepen is bedoeld om de vertegenwoordiging van zoveel mogelijk functiegroepen in de OR mogelijk te maken, niet om een “kwaliteitsbeleid” te voeren met betrekking tot de samenstelling. Hoewel de voorzieningenrechter niet uitsluit dat de kantonrechter de bezwaren van de vakbonden uiteindelijk gegrond zal verklaren, heeft het uitstellen van de verkiezingen op dit moment (te) veel ongewenste neveneffecten. Nu de bonden zeer kort voor de verkiezingen bezwaar hebben gemaakt tegen de al meer dan tien jaar bestaande systematiek en het onzeker is of uitstel van verkiezingen partijen in staat zal stellen een verbeterde verkiezingssystematiek te ontwerpen, wordt de vordering afgewezen. Met betrekking tot de kandidatenlijst geldt dat niet een hoger aantal dan dertig handtekeningen mag worden vereist. De in het reglement opgenomen vijf handtekeningen zijn dan ook niet in strijd met artikel 9 WOR.

Conclusie

Uit deze uitspraak volgt dat de OR weliswaar een grote mate van vrijheid heeft om kiesgroepen in te delen, maar dat een evenredige vertegenwoordiging van het personeel voorop staat. Een onderscheid maken om ‘de kwaliteit’ te waarborgen past daar niet in. Desondanks kan een onevenredige vertegenwoordiging in stand worden gelaten als de gevolgen van een wijziging van de OR voor de organisatie (te) groot zijn, zoals in het onderhavige geval. De omstandigheden van het geval zijn dus belangrijk om in acht te nemen. Ten slotte dient in aanmerking te worden genomen dat de onderhavige procedure een kort geding betrof. De kans dat de bonden in een bodemprocedure alsnog gelijk krijgen is niet denkbeeldig wanneer de gevolgen voor de organisatie minder direct zijn. In dat geval zullen de kiesgroepen opnieuw moeten worden ingedeeld.