De gevolgen van een WW-uitkering voor de beëindigingsvergoeding van een oudere werknemer

Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, 5 oktober 2010, HD 200.012.071, LJN BN8921

Een werkgever ziet zich genoodzaakt een reorganisatie door te voeren. In het kader van de reorganisatie heeft de werkgever een Sociaal Plan opgesteld waarin een vertrekstimuleringsregeling (‘Regeling’) is opgenomen. Deze Regeling bepaalt dat ‘de eenmalige uitkering bij vrijwillig vertrek gelijk is aan factor C=1, maar nooit meer dan de verwachte inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd’. In de Regeling wordt ook verwezen naar Aanbeveling 3.5 van de Kring van Kantonrechters waaruit – kort gezegd – volgt dat de hoogte van de vergoeding gebaseerd wordt op de te verwachten inkomensderving tot aan de pensioneringsdatum indien deze vergoeding lager is dan de uitkomst van de kantonrechtersformule.

Een oudere werknemer besluit gebruik te maken van de vertrekstimuleringsregeling en hij maakt aanspraak op een eenmalige vergoeding. Er ontstaat echter onduidelijkheid over de hoogte van de vergoeding en de wijze van berekening. Volgens de werkgever dient de vergoeding namelijk verminderd te worden met een eventuele WW-uitkering omdat het totaal van de inkomsten van de werknemer na beëindiging anders hoger zou zijn dan zijn inkomen bij werken. In de visie van de werknemer dient bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding geen rekening te worden gehouden met de WW-uitkering omdat het geen inkomsten zijn. De kantonrechter is het eens met de werknemer en oordeelt dat uit de formulering van Aanbeveling 3.5 niet volgt dat eventueel te ontvangen uitkeringen onder inkomsten vallen. Ook oordeelt hij dat bij een vergoeding ineens altijd de mogelijkheid bestaat dat de werknemer tot zijn pensioendatum over meer inkomsten per maand beschikt dan 100% van zijn huidige inkomsten doordat hij bijvoorbeeld een nieuwe baan vindt. De WW-uitkering mag dan ook niet in mindering worden gebracht op de vergoeding.

De werkgever gaat in hoger beroep. Het Hof stelt voorop dat beantwoording van de vraag of rekening gehouden moet worden met de WW-uitkering een kwestie van uitleg van de Regeling is. In het geval van het Sociaal Plan dient gekeken te worden naar de taalkundige betekenis van de Regeling in de context van het Sociaal Plan en de Regeling dient daarom uitgelegd te worden naar objectieve maatstaven. Het Hof oordeelt dat nu de WW-uitkering in de plaats komt van eerder verdiend loon, hier – taalkundig uitgelegd – bij de vaststelling van het te derven inkomen tot aan de pensioendatum, rekening mee kan worden gehouden. Uit de tekst volgt echter niet zonder meer dat uitkeringen in mindering moeten worden gebracht op de vergoeding. Omdat in het Sociaal Plan uitdrukkelijk wordt verwezen naar de toelichting bij de kantonrechtersformule dient ook Aanbeveling 3.5 bij de uitleg van de Regeling betrokken te worden. Het Hof overweegt dat kantonrechters bij het hanteren van de kantonrechtersformule en Aanbeveling 3.5 voor het vaststellen van de inkomensderving over het algemeen rekening houden met de WW-uitkering; dat wil zeggen deze uitkering in mindering brengen op de vergoeding. Dit is voor het Hof een bevestiging dat een uitleg naar objectieve maatstaven ertoe leidt dat bij het begrip ‘inkomensderving’ rekening moet worden gehouden met de redelijkerwijs te verwachten ontvangst van een sociale zekerheidsuitkering. Het Hof merkt nog op dat een inkomensverhoging die het gevolg zou zijn als de WW-uitkering niet in mindering wordt gebracht, niet strookt met het beoogde doel van een sociaal plan om de gevolgen van verlies van inkomen door een reorganisatie op te vangen.

Het Hof vernietigt daarom het vonnis van de kantonrechter en wijst de vordering van de werknemer af.

Conclusie

Hoewel er andersluidende uitspraken zijn, tekent zich met deze uitspraak de lijn in de jurisprudentie af dat bij de bepaling van de hoogte van een beëindigingsvergoeding voor een oudere werknemer, rekening mag worden gehouden met inkomsten uit uitkeringen, waardoor deze vergoeding lager zal zijn. Om onduidelijkheid te voorkomen is het aan te raden om in een Sociaal Plan expliciet op te nemen wat onder ‘inkomensderving’ en ‘pensioengerechtigde leeftijd’ wordt verstaan.
Ten slotte merk ik op dat het voorgaande onverlet laat dat in individuele gevallen recht gedaan dient te worden aan de positie van de betreffende werknemer. Verwijtbaarheid, risicosfeer en overige bijzondere omstandigheden kunnen derhalve ook in het geval van oudere werknemers leiden tot een hogere ontbindingsvergoeding.