De datum waarop de schikking is bereikt

Een bespreking van Kantonrechter Amsterdam 10 juni 2008, JAR 2008/227

Fictieve opzegtermijn

De werknemer, wiens arbeidsovereenkomst is geëindigd, kan onder voorwaarden aanspraak maken op een WW-uitkering. Eén van deze voorwaarden is dat de werknemer niet verwijtbaar werkloos mag zijn. Sinds 1 oktober 2006 is een werknemer niet langer verwijtbaar werkloos indien hij akkoord gaat met een beëindiging van zijn arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden. De WW-uitkering gaat in zodra de werknemer werkloos is. Echter, indien een vergoeding aan de werknemer is toegekend, dient rekening te worden gehouden met de fictieve opzegtermijn. De fictieve opzegtermijn gaat bij een beëindiging met wederzijds goedvinden in na de datum waarop de beëindigingsovereenkomst schriftelijk is overeengekomen en is gelijk aan de opzegtermijn. De opzegtermijn mag met één maand gekort worden als er een (formele) UWV-procedure of een (formele) ontbindingsprocedure is gevoerd.

De casus bij de kantonrechter Amsterdam

In de zaak die aan de orde was bij de kantonrechter Amsterdam ging het om een werknemer en een werkgever die overeen zijn gekomen dat de arbeidsovereenkomst per 31 maart 2007, onder toekenning van een vergoeding, zou worden beëindigd. De uiteindelijke overeenstemming ontstond nadat de werkgever de werknemer bij brief van 20 februari 2007 had medegedeeld dat hij instemde met de voorwaarden die de werknemer had gesteld. Als gevolg van deze instemming bestond tussen partijen volledige overeenstemming. De werknemer heeft vervolgens op 23 februari 2007 de vaststellingsovereenkomst ondertekend en aan de werkgever geretourneerd, waarna de werkgever deze overeenkomst op 1 maart 2007 heeft ondertekend. Omdat de vaststellingsovereenkomst niet voor 1 maart 2007 maar op 1 maart 2007 was ondertekend, heeft het UWV beslist dat de WW-uitkering niet op 1 april 2007 maar op 1 mei 2007 zou ingaan. De fictieve opzegtermijn was, aldus het UWV, immers pas ingegaan op 2 maart 2007. De werknemer heeft zich vervolgens op het standpunt gesteld dat de werkgever, nu hij de vaststellingsovereenkomst te laat had ondertekend, het loon over maart 2007 aan de werknemer diende te betalen.

Welke datum is doorslaggevend?

De kantonrechter heeft het standpunt van de werknemer verworpen en oordeelt dat, alle correspondentie tussen partijen in hun onderlinge samenhang bezien, op 20 februari 2007 was voldaan aan het vereiste dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst schriftelijk moet zijn overeengekomen. Deze zienswijze sluit volgens de kantonrechter ook aan bij de praktijk, daar beëindigingsovereenkomsten veelal tot stand komen door op elkaar aansluitende correspondentie tussen (gemachtigden van) partijen. Dat de vaststellingsovereenkomst pas op een latere datum werd ondertekend, deed derhalve niet af aan het feit dat reeds schriftelijk overeenstemming was bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

Tips

  • Indien bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst een vergoeding wordt toegekend aan de werknemer, dient de werknemer er rekening mee te houden dat hij pas een WW-uitkering krijgt nadat de fictieve opzegtermijn in acht is genomen;
  • De fictieve opzegtermijn gaat in op het moment dat tussen partijen schriftelijk overeenstemming is bereikt over de voorwaarden waaronder de beëindiging van de arbeidsovereenkomst plaatsvindt.
  • Relevant is de datum waarop de voorwaarden door partijen zijn bevestigd. Deze bevestiging kan ook in correspondentie plaatsvinden. Leg desnoods in een later opgestelde de vaststellingsovereenkomst vast dat de overeenstemming reeds eerder is bereikt.

Auteur(s)

  • Chris NekemanChris Nekeman