Cardiologen Ruwaard Van Putten ziekenhuis ‘slechts’ berispt

Klacht IGZ

Drie cardiologen van het Ruwaard van Putten Ziekenhuis hebben een berisping gekregen van het regionaal tuchtcollege voor de gezondheidszorg (tuchtcollege). Naar aanleiding van een hoog sterftecijfer in 2010 werd onderzoek gedaan naar dossiers van patiënten met hartfalen. Ook de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) bemoeide zich ermee. Na verschillende onderzoeken bleek dat het functioneren van de cardiologen op onder andere dossiervoering, communicatie, verantwoordelijkheidsverdeling en professionaliteit van het handelen in de verleende cardiologische zorg te wensen overliet. De IGZ diende daarom een klacht in bij het tuchtcollege met het verzoek de cardiologen te schorsen en door te halen in het BIG-register.

De IGZ klaagde de maten aan voor collectief falen ten aanzien van 1) de organisatie van de zorg binnen de maatschap en 2) de tekortkomingen in de cardiologische zorgverlening. Ter illustratie legde de IGZ twaalf dossiers aan het tuchtcollege voor.

Twee tuchtnormen

Het tuchtcollege toetste de klacht vervolgens aan de tuchtnormen. Op grond van artikel 47 Wet BIG zijn dat er twee. Bij de eerste norm staat de directe relatie tussen de arts en de individuele patiënt centraal. De tweede norm is meer algemeen en er hoeft geen directe relatie met een bepaalde patiënt te zijn. Er kan dan getoetst worden aan het algemeen belang van een goede uitoefening van de individuele gezondheidszorg.

Als een gedraging niet onder een van deze twee tuchtnormen valt dan kan het tuchtcollege daar ook geen uitspraak over doen en dus geen maatregel opleggen.

Berisping

Het tuchtcollege stelde vast dat de IGZ bewust had gekozen om het collectieve falen van de maatschap te laten beoordelen en niet het individuele handelen. Daarmee was de eerste tuchtnorm niet van toepassing.

De tweede tuchtnorm was wel van toepassing. Het tuchtcollege oordeelde dat sprake was van terugkerende tekortkomingen in de  dossiervorming en communicatie. Het verwijt van onvoldoende professionaliteit van het handelen in de verleende cardiologische zorg kon echter niet onder de tweede tuchtnorm gebracht worden.

Het tuchtcollege oordeelde daarom dat sprake was geweest van een gebrekkige organisatie en samenwerking in de maatschap cardiologie en zij gaf de cardiologen een berisping.

Had een andere klacht tot een andere maatregel geleid?

Het individuele handelen in de verleende cardiologische zorg is niet getoetst. De vraag is of dit anders had gekund. Het tuchtcollege lijkt die mening toegedaan. Zij overweegt dat de IGZ weliswaar stelt dat het niet mogelijk was om de verleende cardiologische zorg te herleiden tot één persoon, maar dat de IGZ naar haar mening met enige vasthoudendheid een heel eind was gekomen. Het is goed denkbaar dat wanneer de IGZ dit wel had gedaan en het handelen van artsen ook was getoetst aan de eerste tuchtnorm, dit tot een andere, zwaardere maatregel had geleid.

De IGZ heeft aangegeven in hoger beroep te gaan tegen de berisping. Wie weet komt die zwaardere maatregel er via een omweg dus alsnog.