Bestuurder moet instaan voor verplichtingen projectvennootschap

Het is niet ongebruikelijk dat een onderneming voor een specifiek project een aparte projectvennootschap opricht. Deze vennootschap is vaak ‘leeg’ en heeft dus geen omzet of vermogensbestanddelen, maar deze gaat wel verplichtingen met derden aan. Normaliter zorgt de ‘onderneming’ (de moeder/rechtspersoon-bestuurder) vervolgens voor de middelen waarmee de projectvennootschap haar verplichtingen kan nakomen. Maar wat gebeurt er als het allemaal anders loopt en er een schadevergoedingsverplichting van de projectvennootschap ontstaat? Handelt de rechtspersoon-bestuurder dan ernstig verwijtbaar als hij de schadevergoeding niet financiert? Daarover heeft de Hoge Raad zich op 24 maart 2017 in een specifiek geval uitgelaten.

Ongerechtvaardigde ontbinding

Deze, al jaren slepende kwestie, ging over het volgende. Een onderneming die investeerde in kantoorpanden, had speciaal voor één project een aparte projectvennootschap opgericht. De projectvennootschap zou een pand gaan kopen. De vennootschap die de projectvennootschap van middelen zou voorzien voerde, in hoedanigheid van bestuurder van de projectvennootschap, de onderhandelingen met de verkoper. Na de koop, maar nog vóór de levering had de projectvennootschap de koopovereenkomst ontbonden omdat het opleverniveau te laag zou zijn geweest. Partijen hebben tot aan de Hoge Raad geprocedeerd over de vraag of hier wel of geen grond bestond voor ontbinding. In 2011 heeft de Hoge Raad in deze zaak geoordeeld dat geen grond bestond om de overeenkomst te ontbinden, waardoor de projectvennootschap in verzuim was en de verkoper recht had op schadevergoeding ter hoogte van het positief contractsbelang.

Verhaal op rechtspersoon-bestuurder?

Nu heeft de Hoge Raad zich in dezelfde zaak uitgelaten over vraag of de bestuurder tot betaling van deze schade kan worden aangesproken. De projectvennootschap was nog altijd leeg en zou dus geen verhaal bieden. De verkoper had hier geen zekerheid voor nakoming bedongen omdat deze vertrouwde op de toezegging van de rechtspersoon-bestuurder dat deze de nakoming zou financieren. Nu wordt de projectvennootschap niet aangesproken tot nakoming, maar tot het vergoeden van de schade van de koper. Als de bestuurder in dat geval niet zou zorgen voor de financiering, zou dat dan ernstig verwijtbaar en dus onrechtmatig zijn naar de verkoper toe? Het hof oordeelde van wel. De rechtspersoon-bestuurder had zich bij de koop verbonden om de projectvennootschap voor diens nakomingsverplichtingen te financieren. Deze verantwoordelijkheid om de projectvennootschap te financieren strekt zich volgens het hof óók uit tot de nakoming van de schadevergoedingsverplichting. Indien de bestuurder niet zou zorgen voor financiering, zou de bestuurder volgens het hof bewerkstelligen dat de projectvennootschap geen verhaal bood (verhaalsfrustratie). De Hoge Raad acht dit oordeel niet onbegrijpelijk.

Wat betekent dit?

Uiteraard betreft dit een beoordeling van een specifiek geval waarbij de verkoper heeft vertrouwd op toezeggingen van een bestuurder, maar dit arrest leert ons (wederom) dat een bestuurder zijn aansprakelijkheidsrisico niet afdekt door een BV ‘tussen te schuiven’. In dit arrest worden de verplichtingen van de projectvennootschap naar het lijkt één op één bij de bestuurder gelegd. In dit geval was de bestuurder zelf ook een rechtspersoon. Als deze rechtspersoon deze verplichtingen ook niet zou nakomen, zou op grond van artikel 2:11 BW de bestuurder van die rechtspersoon aansprakelijk zijn, tenzij hij kan bewijzen dat hem persoonlijk geen ernstig persoonlijk verwijt treft. Zie over deze aansprakelijkheid de blog van Ruben Vaessen en Frits van der Woude over het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2017.