Besluit van ondernemer niet kennelijk onredelijk ondanks gebreken in medezeggenschap

Indien de ondernemer met betrekking tot een voorgenomen besluit verplicht is om advies te vragen aan haar Ondernemingsraad (“OR”) moet het advies op een zodanig tijdstip worden gevraagd dat het advies van wezenlijke invloed kan zijn op het besluit. Daarnaast dient de ondernemer bij het vragen van advies een overzicht aan de OR te verstrekken met voldoende informatie over het besluit zoals de beweegredenen voor het besluit en de gevolgen van het besluit voor de werknemers. Recent oordeelde de Ondernemingskamer over de besluitvorming van een adviesplichtig besluit (uitspraak van 16 januari 2015, nr. 200.155.606/01 OK).

Feiten

De Tweede Kamer besloot begin 2014 om de Stafdienst Voorlichting en de Dienst Communicatie samen te voegen en legde dit voorgenomen besluit ter advisering voor aan haar OR. De OR adviseerde positief. Naar aanleiding daarvan nam de Tweede Kamer het voorgenomen besluit om een Stafbureau op te richten en legde dat ook ter advisering voor aan haar OR. Daarover adviseerde de OR echter negatief. Na een overlegvergadering handhaafde de OR zijn negatieve advies. De Tweede Kamer nam desondanks het besluit. De OR stelde beroep in omdat de OR van mening was dat het advies te laat was gevraagd en daarom niet meer van wezenlijke invloed kon zijn. Bovendien hield het besluit volgens de OR onvoldoende rekening met de belangen van de werknemers en de organisatie.

Uitspraak Ondernemingskamer

De Ondernemingskamer stelt voorop dat het medezeggenschapstraject bepaald niet vlekkeloos is verlopen. Zo was er onder andere onduidelijkheid over wat als adviesaanvraag moest worden opgevat en nam de Tweede Kamer op een ander moment dan in eerste instantie was gecommuniceerd het uiteindelijke besluit. Het advies was echter niet op een zodanig laat tijdstip gevraagd dat het niet meer van wezenlijke invloed op de besluitvorming kon zijn. Daarnaast was gebleken dat de OR nog voldoende heeft kunnen adviseren over de inrichting van het Stafbureau. De OR heeft niet gesteld dat hij over onvoldoende informatie beschikte om tot zijn advies te komen of dat zijn vragen niet (voldoende) zijn beantwoord. Ook is niet gesteld dat onvoldoende overleg heeft plaatsgevonden. Dat de OR zich overvallen voelde door de snelheid waarmee het besluit is genomen, maakt het besluit niet kennelijk onredelijk omdat de OR voldoende gelegenheid heeft gehad om op zorgvuldige wijze advies uit te brengen. Het verzoek van de OR is daarom afgewezen.

Uit deze uitspraak van de Ondernemingskamer kan worden afgeleid dat een rommelige gang van zaken tijdens het medezeggenschapstraject niet altijd hoeft te leiden tot een kennelijk onredelijk besluit. Wel is het zo dat het proces van de adviesaanvraag volledig door de Ondernemingskamer wordt getoetst terwijl het inhoudelijk besluit slechts marginaal wordt getoetst. Het is daarbij belangrijk dat het advies van de OR nog van wezenlijke invloed kon zijn op het besluit en daarnaast voldoende informatie over het besluit is verstrekt en overleg met de OR heeft plaatsgevonden.

Auteur(s)

  • Joëlle BouletJoëlle Boulet