Belangrijke wijzigingen in de WW 1 januari 2016 van kracht

Onlangs is de Verzamelwet SZW 2016 aangenomen door de Eerste Kamer. Deze wet bevat verschillende wijzigingen voor het arbeidsrecht. Daarnaast zijn er ook twee voor werkgevers relevante aanpassingen in de Werkloosheidswet (WW). De nieuwe bepalingen treden op 1 januari 2016 in werking.

Nieuwe uitsluitingsgronden in de WW

Door de Verzamelwet SZW 2016 worden er twee nieuwe uitsluitingsgronden toegevoegd aan de WW. In de eerste plaats voorziet een nieuw lid 3 van art. 19 WW in een uitsluitingsgrond voor het ontstaan van een recht op uitkering. Geen recht op uitkering heeft de werknemer zolang de opzegtermijn niet is verstreken en de arbeidsovereenkomst is geëindigd door opzegging, of doordat daarover schriftelijk overeenstemming is bereikt. Er wordt aangesloten bij de opzegtermijnen uit art. 7:672 BW.

Recht op uitkering pas na afloop opzegtermijn

In de huidige situatie ontstaat het recht op een WW-uitkering op het moment dat de dienstbetrekking eindigt. Wordt de opzegtermijn niet in acht genomen, dan kan de werknemer zijn recht niet geldend maken gedurende de opzegtermijn. Van de werknemer wordt verwacht dat hij schadevergoeding vordert vanwege de onregelmatige opzegging. Doet hij dit niet, dan is er sprake van een benadelingshandeling. In dat geval wordt de duur van de WW-uitkering van de werknemer verkort met de duur van de opzegtermijn die niet in acht is genomen. Door de nieuwe bepaling ontstaat het recht op uitkering pas na afloop van de opzegtermijn. Dit is gunstig voor de werknemer.

Fictieve opzegtermijn

Wanneer de werknemer wel een vergoeding heeft ontvangen in verband met de niet inachtneming van de opzegtermijn geldt op dit moment de ‘fictieve opzegtermijn’. Hiermee wordt het aantal dagen bedoeld waarop de vergoeding betrekking heeft. Het recht op een WW-uitkering ontstaat in dit geval niet na het einde van de dienstbetrekking, maar na het einde van de fictieve opzegtermijn. Door de nieuwe wetswijziging ontstaat het recht op uitkering steeds pas na afloop van de opzegtermijn. Dit heeft tot gevolg dat de huidige bepalingen over de fictieve opzegtermijn in de Gelijkstellingsregeling arbeidsuren zullen vervallen.

Arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd

Een nieuw vierde lid van art. 19 WW voorziet in een uitsluitingsgrond wanneer een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, zonder de mogelijkheid om tussentijds op te zeggen, met wederzijds goedvinden wordt beëindigd. Het recht op een WW-uitkering ontstaat in dat geval pas nadat de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zou zijn verstreken. Hierdoor is niet langer sprake van de situatie waarin de werknemer wel recht heeft op WW-uitkering, maar dit recht niet geldend kan maken vanwege een benadelingshandeling.

Arbeidsurenverlies als ijkpunt referte-eis

Voor het recht op een WW-uitkering moet zijn voldaan aan de referte-eis. In de 36 weken voorafgaand aan de werkloosheid moet door de werknemer in 26 weken zijn gewerkt. De nieuwe uitsluitingsgronden hebben tot gevolg dat de eerste werkloosheidsdag verschuift naar een latere datum. Om te voorkomen dat de werknemer daardoor niet meer aan de referte-eis zou voldoen, wordt met betrekking tot de nieuwe uitsluitingsgronden het arbeidsurenverlies als ijkpunt aangehouden om te bepalen of aan de referte-eis wordt voldaan.

Voor werkgevers is het van belang om op de hoogte te zijn van de nieuwe uitsluitingsgronden. Zo kan de werkgever de werknemer goed informeren over de gevolgen van de niet inachtneming van de opzegtermijn bij beëindiging van het dienstverband.

Auteur(s)

  • Marieke OpdamMarieke Opdam