403-verklaring. Hoofdelijke aansprakelijkheid moeder voor nakoming Sociaal Plan

Een bespreking van Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch, JAR 2009/126

403-verklaring

Een 403-verklaring (afgeleid van het gelijknamige artikel in boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, verder: “BW”) is een verklaring van een moedermaatschappij waarin deze zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de uit rechtshandelingen voortvloeiende schulden van haar dochtermaatschappij(en).

Door het deponeren van de 403-verklaring bij het handelsregister zijn de dochters vrijgesteld van publicatie en inrichting van hun jaarrekeningen conform de normale bepalingen van het BW. Zij hoeven dan alleen nog een summiere balans en winst- en verliesrekening op te maken. De moeder is vervolgens wel verplicht een geconsolideerde balans op te maken en te publiceren. Op deze manier kan een dochtermaatschappij de verplichting om via de jaarrekening inzicht aan crediteuren te bieden in haar financiële positie afruilen tegen aansprakelijkstelling door de moeder, en wordt de administratieve lastendruk binnen het concern veelal verlaagd.

Feiten

In de onderhavige casus is in december 2003 in verband met een reorganisatie een sociaal plan overeengekomen tussen een Besloten Vennootschap (hierna: “Werkgever”) en de vakbonden. Daarin is bepaald dat aan de werknemers van Werkgever een vergoeding wordt toegekend en dat niet genoten vakantie- en verlofdagen zullen worden voldaan. Op 21 december 2005 is Werkgever failliet verklaard, op welk moment de voornoemde vergoeding en uitbetaling van de vakantie- en verlofdagen nog niet volledig was voldaan.

De moedermaatschappij van Werkgever (hierna: “de Moeder”), heeft in 1999 een 403-verklaring gedeponeerd, inhoudende dat zij zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor alle schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die gedurende 1998 en verder door Werkgever zijn aangegaan. In 2001 heeft de Moeder de 403-verklaring vervangen voor eenzelfde verklaring met enigszins andere bewoordingen, ditmaal inhoudende dat de Moeder zich hoofdelijk aansprakelijk stelt voor de schulden die voortvloeien uit de door Werkgever aangegane rechtshandelingen. Vlak voor het faillissement heeft de Moeder vervolgens de 403-verklaring ingetrokken.

Ondanks sommaties van de werknemers heeft de Moeder geweigerd de resterende vergoedingen uit hoofde van het sociaal plan te voldoen en eveneens heeft zij geweigerd zorg te dragen voor de uitbetaling van de verlof- en vakantiedagen.

De belangrijkste grief van de Moeder in deze procedure komt neer op het volgende:
Het sociaal plan dient in samenhang gezien te worden met de arbeidsovereenkomsten, en dient aldus te worden geacht “voort te vloeien uit” de arbeidsovereenkomsten. De arbeidsovereenkomsten zijn allen vóór 1998 gesloten, en de eerste 403-verklaring stelt dat de aansprakelijkheid alleen geldt voor rechtshandelingen aangegaan in en na 1998. Volgens de Moeder moet de tweede 403-verklaring vervolgens in het licht van de eerste worden gezien, en daarom zouden de uit de arbeidsovereenkomsten voortvloeiende verplichtingen niet tot een aansprakelijkheid van de Moeder kunnen leiden.
Het hof verwerpt deze grief. Zij overweegt daarbij onder andere dat de contractant (in dit geval de werknemers dus) van de dochtermaatschappij jegens de moedermaatschappij geen recht kan ontlenen aan artikel 2:403 BW, maar uitsluitend aan de door de moedermaatschappij gedeponeerde verklaring. Wat deze verklaring in een concreet geval inhoudt moet worden vastgesteld door uitleg ervan.

Vervolgens overweegt het hof dat de tweede 403-verklaring, anders dan de Moeder meent, een aansprakelijkstelling inhoudt voor alle vóór en op het moment van de verklaring aangegane rechtshandelingen van Werkgever. Niet relevant is vervolgens dat de bewoordingen in de eerste 403-verklaringen een beperktere strekking hadden. Relevant is immers alleen hoe de crediteuren de verklaring, gelet op de inhoud en strekking ervan, redelijkerwijs mochten opvatten.

Het hof tekent hierbij vervolgens nog aan dat het aangaan van een sociaal plan tot het ontstaan van rechtstreekse verbintenissen van de werkgever jegens de werknemer leidt, zodat ook als de eerste 403-verklaring nog van kracht zou zijn geweest, de Moeder alsnog aansprakelijk zou zijn geweest voor de verplichtingen voortvloeiend uit het sociaal plan. Tot slot wijst het hof er nog op dat het ook voor onderhandelende vakbonden van belang is dat zij op basis van de 403-verklaring ervan uit mogen gaan dat de moedermaatschappij hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen van de contracterende dochtermaatschappij. Het hof stelt dan ook dat de Moeder zowel hoofdelijk aansprakelijk is voor de verplichtingen van Werkgever uit hoofde van het sociaal plan, als voor de correcte afwikkeling van de verplichtingen van Werkgever als werkgeefster voortvloeiende uit de arbeidsovereenkomsten.

Tips

  • Uit deze uitspraak blijkt eens te meer dat het de moeite loont na te gaan of ten aanzien van een rechtspersoon een 403-verklaring afgegeven is, of afgegeven was. Het intrekken van de verklaring tast immers de aansprakelijkheid voor schulden die voortvloeien uit rechtshandelingen die tijdens de gelding van de verklaring zijn ontstaan, dan wel gedurende die periode opeisbaar werden, niet aan, zo lang de rechtspersonen onderdeel van dezelfde groep blijven.
  • Vervolgens is het essentieel kennis te nemen van de precieze bewoordingen van de betreffende 403-verklaring, omdat dit, zoals uit de onderhavige casus blijkt, van invloed is op de reikwijdte van de aansprakelijkheid.

Auteur(s)

  • Maurits BosMaurits Bos